44
eenig het minste verstandelijk inzicht. Wil (Hoogstraten) in een zeer byzonder geval
iets meer doen dan een bloote en enkele waarneming geven, hy tast doorgaands
mis.’
Van de pogingen der dichters en taalzuiveraars omstreeks 1600 zegt Bilderdijk:
‘De Taal won oneindig; maar het verloop der geslachten was zoo verr' gegaan, dat
zelfs alle sporen van regelmatigheid daarin uitgewischt waren. De vermenging met
het Vlaamsch, dat niet slechts vrouwelijk en onzijdig door één warde, maar ook den
eersten Naamval in 't Mannelijke bestendig met den uitdrukte, de Amsterdamsche
afkapping van de
n
in de uitspraak, die te meer invloed kreeg omdat de meeste en
beste Taalhelden diens tijds, deze stad tot hun woon- of geboorteplaats hadden....
dit alles was oorzaak dat ten tijde van Hoogstraten, niet slechts het Onzijdig en
Vrouwlijk geslacht dikwijls vermengd wierden, maar dat men ten aanzien van
Mannelijk en Vrouwelijk twijfelde of er wel eenig wezendlijk onderscheid was.’
Van Hoogstraten wilde nu door Hooft en Vondel laten beslissen, welk geslacht
men aan een substantief behoort toe te kennen. Zeer ten onrechte, zegt Bilderdijk.
‘Niet slechts om hun wederspraak met elkander in zeer vele woorden, waarin de
een het Mannelijk, de ander het Vrouwlijk geslacht aankleeft; niet slechts om hunne
eigene ongelijkheid, die niet altijd een uitwerksel van gebrek aan oplettendheid
schijnt, maar somwijlen de vrucht eener dobberende onzekerheid, willekeurig
bepaald; maar vooral en in het byzonder, om dat zy zich eenen regel voorschreven,
zonder grond voor dien regel te hebben, en, gelijk wy hierboven reeds aanmerkten,
de welluidendheid, of een nietige opvatting over 't woord, als een meer geweldige
of meer zachte zaak beteekenende, van 't geslacht deden beslissen...... Zeker, het
gebruik van
Hooft
en
Vondel
is dus geen bewijsgevend blijk hoe de taal is, maar
hoe ieder van hun haar begeerde. Om dat de Keulenaar
Vondel
, bij een ruwer
lichaamsgestel, door geboorte en opvoeding minder beschaafd, meer van kracht
dan gevoeligheid in de uitdrukking hield, vloeit het Mannelijk geslacht bij hem over;
terwijl de aandoenlijke, de, en t'huis en in vreemde landen gepolijste en vertederde
Hooft
aan het Vrouwelijke den voorkeur geeft. Om dat echter
Vondel
, als Poëet
meer dan
Hooft
werd gelezen, wien hy in de Poëzy (of, zeggen wy, in de kunst der
verzen) spoedig te boven was, en wiens Proza een smaak van 't Latijn had, dat hy
navolgde, heeft het misbruik van den eerste zijn aanhang gekregen, en
Hoofts
ongetwijfeld meer Nederlandsche, meer redelijke, en meer grondige keus van
geslachten verdrongen.’
Wij zien dat Bilderdijk - zijn oordeel over Hooft en Vondel daargelaten - over 't
geheel met veel nauwkeurigheid de wonde plek in de heerschende
geslachtsonderscheiding aanwijst. Minder gelukkig is hij in zijn poging om verbetering
aan te brengen. Hij ging uit van het in hoofdzaak zeker juiste denkbeeld, dat de
beteekenis van het woord eigenlijk niets te maken heeft met het geslacht van het
woord; dit laatste is van de vorming van het woord afhankelijk. Maar nu meende
Bilderdijk, dat de zelfstandige naamwoorden ontstaan waren
Taal en Letteren. Jaargang 2
Comentários a estes Manuais