23
in de geschreven taal dus aan dat onderscheid vasthoudt - en tot dusverre doen wij
dat allen - moet het kunstmatig aanleeren. Wij merkten reeds op, dat men het hierin
over 't algemeen niet zoo heel ver brengt. De meeste beschaafde Nederlanders
zullen aarzelen met hun antwoord, wanneer men hen vraagt naar het geslacht van
woorden als: ekster, kuil, tol, lat, plank, bril, ploeg, kuip, stoep, riem, zeelt, aanleg,
dorst, enz., enz., enz., enz.
Het is het doel van dit opstel, na te gaan, hoe wij gekomen zijn in den
eigenaardigen toestand, waarin wij ons met betrekking tot de geslachten der
zelfstandige naamwoorden thans bevinden.
Wij zullen ons niet bezighouden met de vraag naar den
oorsprong
van het genus
der substantieven. Alleen zij vermeld, dat de gewone opvatting (reeds voorgestaan
door mannen als L. ten Kate, J. Grimm en W. von Humbold) als zouden we
oorspronkelijk vooral te doen hebben met personificatie of beeldspraak, later met
analogievormen, in den laatsten tijd door enkele Duitsche taalgeleerden, voornamelijk
door den Leipziger professor Karl Brugmann bestreden is
1)
.
Trachten wij thans na te gaan, hoe de stand van zaken was in het
Middelnederlandsch.
Allereerst zij er dan op gewezen, dat het Middelnederlandsch zich van de
tegenwoordige beschaafde taal o.a. hierin onderscheidde, dat er bij het spreken
wel degelijk verschil werd gemaakt tusschen mannelijke en vrouwelijke
buigingsuitgangen. In het Middelnederlandsch schreef men
de
n,
goeden
,
eene
n,
enz., omdat men uitsprak
den
,
goeden
,
eenen
. Die uitgangen, welke onze
tegenwoordige spreektaal mist, waren in het Middelnederlandsch nog niet afgesleten.
Toch waren de ‘kiemen des verderfs’ reeds aanwezig. Verscheiden woorden hebben
in het Middelnederlandsch niet meer hun oorspronkelijk geslacht (d.w.z. het geslacht,
dat zij in het Oudgermaansch moeten hebben gehad); andere vertoonen een neiging
om van geslacht te veranderen en worden b.v. evengoed mannelijk als vrouwelijk
gebruikt. Dien toestand aan een minutieus onderzoek te onderwerpen, ligt niet in
onze bedoeling. Het komt ons voor, dat hier nog veel moet worden gedaan. Niet
alleen moet nauwkeurig en volledig worden vastgesteld, aan welke woorden twee
of drie geslachten toegekend werden, er dient tevens te worden gelet op het oord
en den tijd van herkomst der geschriften, waarin de bewuste woorden voorkomen.
Dan eerst kan men pogingen aanwenden om de kwestie van den overgang van het
eene geslacht tot het andere, in haar geheelen omvang te verklaren.
1) Zie o.a. zijn belangrijk opstel
Zur Frage der Entstehung des grammatischen Geschlechts
i.d.
Beitr
. v. Paul u. Braune, XV, S. 523 fgg. - Volgens Brugmann heeft men den categorieën,
waarin de zelfst. nw. van sommige talen te verdeelen zijn, ten onrechte de namen mannelijk
en vrouwelijk (en onzijdig) gegeven.
Taal en Letteren. Jaargang 2
Comentários a estes Manuais