301
bep. van gesteldheid (als ‘gevolg van de werking’) en dus adverbiaal adjectief, bij
de omschrijving: ‘als mensch’.
43.
die Abram etc.:
de eenvoudigste ontleding is:
deed hooren
(als causatief van
hooren
saamgevat) - gezegde; als voorwerp van dit
deed hooren
voelt men
Abram
en
vadernaam
voelt men als voorwerp van
hooren; Abram
kan men het voorwerp
dus noemen van
deed den vadernaam hooren
. Fout is de ontleding:
vadernaam
voorwerp van
deed hooren
, daar de beteekenis van
hooren
(dat hier zuiver actief
is) daartegen indruist;
Abram
zou dan derde naamv. zijn. Met onze ontleding is in
overeenstemming de ontleding van hen, die, rekening houdend met de
oorspronkelijke constructie waarin
deed
= ‘maakte’ gevoeld werd en
hooren
een
naamwoordelijke vorm was met de beteekenis van
in het hooren
, aldus doen:
deed
- gezegde,
Abram
- voorwerp,
hooren
- bep. van gesteldh. bij
Abram
,
den vadernaam
- voorwerp bij
hooren
.
44.
Kniên
is bij de oudere, vooral de XVII
de
eeuwsche dichters, de
gewone
vorm;
knieën
is daar uitzondering. Zoo ook
melodiên
,
geniên
, maar geen
tralien
,
olien
van
tràlie en òlie. Vgl.
trofeên
voor
trofeeën
,
zeên
voor
zeeën
.
Voor
tweeden
zou de tegenwoordige grammatica
tweede
schrijven: immers het
telwoord staat hier zelfstandig en wordt dus niet bijvoeglijk verbogen. -
tweeden
is
afhankelijk van ‘had gezien’ en
gekoesterd
staat daarbij als bep. van gesteldh. mede
in den 4
den
nv. Vgl. met deze constructie:
geen tweeden nevens zich had zien
koesteren:
hij die koestert komt dan meer naar voren; bij Da Costa daarentegen:
die gekoesterd
wordt:
dit is in overeenstemming met wat er werkelijk in Ismaël
omgaat; hij heeft het niet in de eerste plaats tegen Abraham, maar tegen het kind,
dat hem verdringt.
46.
thands:
de spelling met
d
was ook oudtijds minder gebruikelijk dan die
zonder;
daarom heeft de Nieuwe Spelling die
d
niet aangenomen (Regel van 't Gebruik). -
gehengen is ‘toelaten’, ‘er genoegen in nemen’, ‘gedoogen’. Het is (dat is dikwijls
de kracht van 't voorvoegsel
ge
-) het versterkte
hengen
, dat met dezelfde beteekenis
voorkwam en eigenlijk het causativum is bij
hangen
= laten hangen: men zeide het
eerst van het laten hangen der teugels in het paardmennen: de teugels (aan het
paard en uit zijn eigen handen) geven, het paard zijn zin geven. -
meerdere:
‘mindere’
en ‘meerdere’ zijn zelfstandignwn. geworden comparatieven, waarvan de eigenlijke
beteekenis niet altijd evenzeer gevoeld wordt; in andere gevallen echter, en zulk
een hebben we hier, wordt ze weer heel voelbaar en het woord
nadert
dan weer
het adjectief.
47.
in:
‘wat - aangaat’, ‘ten opzichte van’ -; ‘in’ wijst dan den
kring
aan, binnen
welken dat man-zijn geldt. - Zou ‘hulde brengen’ in de redekundige ontleding niet
op twee manieren behandeld kunnen worden?
50. Zie voor afleidsels en samenstellingen bij
wrevel
Van Dale. -
moederzonde:
Da Costa bedoelt hier niet, wat anders meer in den aard der samenstelling ligt, ‘eene
zonde,
als een moeder
die licht bedrijven zal’, maar:
de
Taal en Letteren. Jaargang 2
Comentários a estes Manuais