295
deernis; zal haar hart opengaan voor dat krachtige, gebiedende, alle tegenspraak
afsnijdende
keer!
(32). Let op, welk een
klimax
er is in deze geheele passage.
‘Verneder u
voor God
, wees dienstmaagd, daar
Hij
u tot dienstmaagd gesteld heeft,
en voel den verkwikkenden regen van Zijn genade over u neerdalen. Gelòòf en keer
terug, en daar zal niet slechts weer brood en water voor u zijn, maar een belofte
voor uw kind; Wil
dienstmaagd
zijn en uw kroost, als kroost van Abraham, zal
koning
zijn.’ In deze regels ligt een groote welsprekendheid en eene groote liefde.
Kèèr
krijgt een sterken nadruk en wordt tevens ietwat aangehouden, alsof de
r
verdubbelde. Achter
troost
(35) geen rust.
Wéés
wederom met veel nadruk;
niet
‘dienstmaagd’ (= Dùrf het zijn, overwìn daarin u-zelf). Met den
toon
van deze woorden
zou het
geheel in tegenspraak
zijn,
verwatene
in den tegenwoordigen zin en dus
verwijtend
op te vatten;
de tent van Abraham etc
. slaat op
Verwatene!
terug; het is
=
uitgestootene!
Wie spreekt deze aanmaning en vertroosting? De lezer die den Bijbel kent, heeft
licht een antwoord. Da Costa onderstelt die kennis. Op haar weg verschijnt Hagar
de ‘Engel des Heeren’: Genes. XVI, 7-14: ‘En de Engel des Heeren vond haar aan
eene waterfontein in de woestijn, aan de fontein op den weg van Sur. En hij zeide:
Hagar, gij dienstmaagd van Sarai! van waar komt gij, en waar zult gij heengaan?
En zij zeide: Ik ben vluchtende van het aangezicht mijner vrouw Sarai. Toen zeide
de Engel des Heeren tot haar: Keer weder tot uwe vrouw, en verneder u onder hare
handen. Voorts zeide de Engel des Heeren tot haar: Ik zal uw zaad grootelijks
vermenigvuldigen, zoodat het van wege de menigte niet zal geteld worden.’ Etc.
Men wete nu, dat Da Costa's gedicht zijn oorsprong verschuldigd is aan eene plaat,
eene staalgravure, die Hagar in de woestijn voorstelt (deel uitmakend van den in
1847-1852 bij Kruseman verschenen bundel:
Bijbelsche Vrouwen
).
Een schoone jonge vrouw ziet men hier tegen een schaarsbegroeiden wal geleund;
men ziet haar niet
gaan
, men ziet ook geen
waterflesch
of iets dat aan haar
bijzonderen toestand doet denken; niemand zou eigenlijk zoo het onderschrift het
niet zeide, aan Hagar denken. Het is een hartinnemende, schoone oostersche
vrouwenfiguur, in het gebaar van het zijwaarts buigend hoofd en de langs het lijf
gestrekte armen met de handen zijwaarts-af wijzend dat
antwoord:
‘Mij rest niets
meer; zij hebben mij uitgewórpen; tot wien zal ik toch heengaan’; iets als een
antwoord
ligt daarin en dat ligt ook in het gànsche gelaat, in het mooie, gloedvolle,
treurige oog vooral. Men zon denken, dat Da Costa zich om de plaat bekommerd
heeft? Bij hem zien wij Hagar vermoeid voorthijgen, met voorovergebogen lijf en
met de sporen van haar tocht. Met die voorstelling heeft de gravure ook niet het
allerminste te doen, maar wij worden aan haar herinnerd in dat
Verwatene!
waarheen?
De gravure geeft Hagar blijkbaar te zien, als zij met den Engel spreekt.
't Zou daarom kùnnen zijn, dat de dichter de woorden geeft, als van den Engel
gesproken. Doch met het oog daarop, dat hij in elk opzicht van den teeken-
Taal en Letteren. Jaargang 2
Comentários a estes Manuais