238
Het is geenszins mijn plan hier een verhandeling ten beste te geven over onze
phonetiek. Ik had mij gevleid, dat de eenige man die bij mijn weten na Land en
Donders dat vak ernstig en jaren achtereen bestudeerd en beoefend heeft, t.w. de
Hoogleeraar Van Helten, ons in een grondig en helder betoog de vruchten zijner
studiën zou geschonken hebben. Tot nog toe heb ik vergeefs gewacht. Of hij er
mettertijd niet toe zal moeten komen? Van zulk een veelzijdigen geest durft men
ten slotte ook de verklaring hopen van het vele dat hij voor de Nederlandsche
Spraakkunst (dat stiefkind onzer germanisten!) reeds gevonden en uitgegeven heeft,
zonder het echter phonetisch toe te lichten. Laat ons nu even zoo terloops nagaan
wat de Heer Boer op onze school-grammatica's heeft aan te merken. Kortheidshalve
releveer ik maar een paar punten, die hoofdzaken betreffen.
pg
. 93. ‘Dat het Nederlandsch palatalen zou kunnen bezitten, wordt niet mogelijk
geacht.’ Wat voorafgaat, doet onderstellen dat de palatalen dus door andere organen
dan door keel, tong, tand of lippen zouden worden voortgebracht. Wie over palatalen
verstaat letters gevormd door de engte (enge articulatieplaats) tusschen den tongrug
en het hard gehemelte
1)
, kan natuurlijk onze
sj
(bij Donders, een enkele, bij Land
twee consonanten) als palatalen sisklank vermelden. Maar dr. Boer verkondigt een
regel of wat later de ketterij dat de
t
+
j
in
tjingelen
,
jaartje
enz. één enkelen klank
representeeren; dat deze
j
als palataal wordt aangemerkt, daarmee kan men zeker
vrede hebben, maar den draak te steken met den eerzamen grammaticus, die ‘nog
steeds
tj
rustig voor twee klanken aanziet’, gaat wat ver. De ironie heeft haar grenzen:
maar de wetenschap der klanken (voorloopig althans) nog niet. Ik ben zoo driest
bovengenoemden spraakkunstenaar de hand boven 't hoofd te houden en ieder uit
te noodigen de proef op de som te nemen door soortgelijke woorden eenige malen
uit te spreken. Het gaat niet aan een rustig wandelaar te ontstellen door de bewering,
dat hij zich eigenlijk maar op één been voortbeweegt en dus eigenlijk maar één
been heeft. ‘Zonder lippen, tong, tanden of keel kan men geen klank uitspreken.
Toch kan ieder
h
zeggen.’ Waar blijft dan de
kehlkopfspirans
, als Sievers de
h
noemt? Of is het strottenhoofd de keel?
pg
. 95 protesteert dr. Boer tegen Te Winkel's meening, die de
w
en
j
onder de
ontploffingsgeluiden noemt. Ik protesteer tegen de miskenning onzer
w
: deze is òf
bilabiaal, als in
trouwen
,
huwen
enz., òf
labiodentaal
b.v. in alle gevallen waar ze
het woord begint:
waar
,
wie
,
wonen
enz. De labiodentale
w
is volkomen terecht door
Land (
pg
. 30) als slagconsonant opgegeven. De
bilabiale w
is een
fricatief
. Over de
j
als beginletter durf ik me nog niet zoo beslist uitlaten, maar ik geloof dat dr. Boer
gelijk heeft. De engte wordt niet geheel afgesloten, wat voor explosieven een
conditio
sine qua non
is.
pg
. 97 beweert dr. B., dat in
koninkje
,
Jantje
,
bloempje
een ‘ontploffingsgeluid’ is
ingelascht. Ik heb er niets tegen dat men zoo iets in een schoolboek leert: maar
men gaat te ver als men eischt dat zoo iets geleerd worden
moet
. Dat de
p
in
bloempje
‘is ingelascht’, spreekt van zelf, maar dat de
t
voor de
j
is weggevallen is
niet minder evident; vg.
hemd
,
hempt
,
hempie
uit
hemptie
. De verkleiningsuitgangen
zijn gelukkig in Middelnederlandsche eigennamen bewaard in dubbelen vorm:
iaen
en
etiaen
. Voor en alleer deze verklaard zijn (en ik zie geen kans het eerste suffix
te verklaren zonder behulp der alleroudste inscripties in Brambach), is het wijs zeer
bescheiden te zijn
1) Dat in het beschaafde Nederlandsch, onze omgangstaal, palatale gutturalen bestaan, oochen
ik.
Taal en Letteren. Jaargang 2
Comentários a estes Manuais