271
vs. 12.
smalen:
‘met onverdiende minachting spreken over iemands persoon,
afkomst, betrekkingen, handelingen, werk, enz.’
vs. 14.
voor een aap
, omdat de papegaai alleen napraat wat hem is voorgezegd.
vs. 16.
een eigen lied:
door hem zelf bedachte woorden.
vs. 21-30. Hier wordt het deuntje eene satyre op allerlei onbekwame lui, die de
toongevers in maatschappij en staat napraten en daardoor het meest vooruitkomen.
Waar is zulk een menschelijke papegaai, vraagt Lorretjen, al niet toe geschikt?
vs. 304.
de les
, in het liedje gegeven, de moraal dus. Om die les lachten de wilden
niet precies, maar wel om het deuntje, dat die les inhield.
vs. 306.
't refrein:
de herhaalde slotregels van elk couplet; hier een refrein met
kleine wijzigingen.
vs. 309.
schuwte
, gewoonlijk
schuwheid;
hier is
schuwte
even goed en wat
gemeenzamer. Waar
te
en
heid
met verschil van beteekenis achter hetzelfde
substantief komen, mogen ze natuurlijk niet verwisseld worden. Zie over 't verschil
de Spraakkunst.
vs. 310.
de zoelte
,
de luwte
, de plaatsen waar het
zoel
en waar het
luw
was. De
eigenschappen staan tegenover elkander: P. bedoelt met
zoel:
‘zeer warm’, met
luw:
‘koel’. De
zoelte
vond men in het woud, de
luwte
op den stroom. Uit het woud
klonk dus het geschreeuw der papegaaien tot over de rivier. In den volgenden regel
wordt dezelfde gedachte uitgedrukt:
het strand
‘de oever’ riep het
den stroom
toe.
Aangaande het woord
luwte
moet opgemerkt worden, dat P. het meermalen in
de bet. van
koelte
bezigt, eene beteekenis, die door het spraakgebruik niet wordt
gewettigd. Zoo lezen we bijv. ook in
Poezy
I, 186:
't Verkwikkend bad der luwt' van
lommerrijke boomen
, waar 't
verkwikkend bad
aan ‘koelte’ en niet aan ‘luwte’ doet
denken.
vs. 312.
't schaatren:
‘'t schel gekrijsch der papegaaien’.
vs. 318. Men merke op, dat de verhouding tusschen Bontekoe en de wilden, dank
zij zijn' liedjes, reeds veranderd is: half gebieden ze hem nog, maar half ook smeeken
ze hem, om nog meer te laten hooren. Die verbetering in zijn' toestand heeft hem
ook de borst verruimd; zijn toon wordt vol en vrij (vs. 320).
vs. 322.
blanke Maas
of
gulden IJ:
het heldere rivierwater tegenover het meer
geelgroen getinte zeewater.
Wijs Klaertjen op 't ijs.
vs. 1.
Wijs Klaertjen
, hier min of meer ironisch gezegd. Klaertjen was wijs misschien
in haar eigen, maar stellig in moeders oog, doch de uitkomst bewees, dat zij het in
een' anderen zin was, dan moeder bedoelde.
vs. 6.
't
, nl. of zij het paartje verzelde of kwelde, was moeder bijna
Taal en Letteren. Jaargang 2
Comentários a estes Manuais