83
de man er niet’. En een weinig verder: ‘Het is klaar, dat indien men dit of wel gekend
en wel onderscheiden had, de ontkenning niet uitgeworpen zou zijn in de
uitdrukkingen, hier ten voorbeelde bijgebracht; men zou,
en
verwerpende,
niet
in
de plaats gesteld en gezegd hebben: “Men liet hem niet vertrekken, of hij had niet
alles betaald”; en “daar was niemand of hij maakte geen zwarigheid”. Maar daar
men onverstandig en onthollandscht genoeg was, om het voor het
of
,
oder
, enz. te
houden, zag men een alternatif in de phrasis en verstond het, als stond er:
Een van
beide had plaats
, of
men liet hem niet vertrekken
, of
hij had alles betaald
. Of
daar
was niemand
, of
hij
(
die er was
)
maakte zwarigheid
. Zulk een alternatif vorderde
in het tweede lid een tegenstelling en strijdigheid en dus, daar het eerste negatif
was, moest dan het andere affirmatif worden. De gevolgtrekking was goed, maar
de onderstelling, waarop zij berustte, was valsch.’
De redactie van het Woordenboek sprak zich in haar artikel over of in
denzelfden geest uit als Bilderdijk, natuurlijk alleen wat het punt in kwestie
betreft: den uitval tegen het onverstand en de onthollandschtheid onzer voorvaderen
liet zij voor rekening van haren voorganger.
Van eene tegenovergestelde meening bleek Prof. Van Helten in zijne
Vondel-grammatica
, II, 161. Deze wees er vooral op, dat in het Hoogduitsch in
verschillende van de bedoelde constructies
oder
en niet
ob
gebruikt wordt en
concludeerde: ‘Is nu de hier voorgestane theorie (dat nl.
of
het tegenstellende
voegwoord is) waar, dan moet
of
de prioriteit hebben vóór
of en
en is dit laatste als
product der vereeniging van de beide nevens elkander gebezigde conjuncties
1)
te
beschouwen’.
Gelijk wij reeds boven zeiden, stelt de vorm van het voegwoord
of
ons niet in staat
te beslissen, welke meening de ware is. We dienen ons dus tot de beteekenis der
zinnen te wenden, ten einde te zien, of deze ons licht kan schenken. Daartoe zullen
we achtereenvolgens in één voorbeeld van elke groep
of
beurtelings vervangen
door
indien
en door
òf-òf
. Bij de eerste wijze van vervanging dient dan tevens de
ontkenning ingevoegd te worden; bij de tweede eene onderstelling, die tegenover
het eerste lid staat.
1. Er is geen mensch, indien hij niet moet sterven. Òf er is geen mensch, òf (als er
wel een mensch is) hij moet sterven.
2. Ik heb dat nooit gedaan, indien het mij niet berouwd heeft. Òf ik heb dat nooit
gedaan, òf (als ik het gedaan heb) het heeft mij berouwd.
1) Van Helten noemt nl.
en
ook eene conjunctie, omdat in zekeren zin de ontkenning in
het tweede lid de beide deelen met elkander in verband brengt.
Taal en Letteren. Jaargang 2
Comentários a estes Manuais