26
U stercte, u hool, úwe
n
arm, uwe
n
steen,
U borcht, uwe
n
schilt, u toevlucht, u voedere,
Uwe
n
wech, u waerheyt, u leven alleen’ (blz. 5).
‘Dats voor mi eene
n
cleyne
n
arbeyt’ (blz. 9).
‘Uwe
n
loon wort van grooter virtuyten’ (blz. 20).
‘De
n
boom was sijnder herten seer stuere’ (blz. 21).
‘Sijne
n
rechte
n
naam is smenschen leeringhe’ (ald.).
‘Pluto, de
n
godt, heeft hem machtich ghestelt’ (ald.).
‘Dies hem de
n
standaert van afgoderie behaecht’ (blz. 22).
‘Sulck een
en
staet en was my noyt ghewaecht’ (ald.).
‘Eene
n
aflaetbrief ghalt mi eerstwarf een croone’ (blz. 29).
‘Doer siecte is haest de
n
lust verbeten’ (blz. 32).
‘'t Fy helsche
n
graet, die om ons gaet’ (blz. 37).
‘In sulcker liefden heeft de
n
vader gheblaect’ (ald.).
Men heeft dien eerste-naamvals -
n
op verschillende wijzen willen verklaren. Men
heeft gedacht, dat zij oorspronkelijk alleen voor een zelfst. nw. werd geplaatst, dat
met een klinker of een
h
begon, m.a.w. om den hiatus te vermijden. Maar bij
vrouwelijke of meervoudige woorden die met een klinker of
h
beginnen, en worden
voorafgegaan door 't lidw. van bepaaldheid, ontstaat immers ook een hiatus? En
dien
tracht men volstrekt niet te vermijden.
Bilderdijk spreekt van den casus emphaticus
1)
en meent dat
den
voor
de
werd
gebruikt om nadruk op het znw. te leggen. Maar de door ons gegeven voorbeelden
weerspreken die meening. Als in denzelfden zin wordt gezegd: hij is u borcht, uwen
schilt,.... uwen wech, u waarheyt, kunnen wij niet anders dan willekeur aannemen;
willekeur, ontstaan door verwarring en gelijkstelling van verschillende
verbuigingsvormen.
Een andere bijzonderheid van de taal uit de eerste helft der 16
e
eeuw betreft
sommige vrouwelijke genitieven op -
s
. Ontmoeten wij die reeds in het Middelned.,
maar dan voorafgegaan door een bepalend woord dat den vrouwelijken vorm vertoont
(b.v.
der werelts
), thans zien wij den mannel. uitgang ook in de determineerende
woordjes doorgedrongen:
‘mijns moeders tale’ (
B.d. Schr.
7), ‘in t swerelts palen’ (blz. 8), ‘van swerelts wijcke’
(17), tswaerheits bestridinge’ (22).
In den loop der 16
e
eeuw wordt het er niet beter op. Marnix v. St. Aldegonde was
een geletterd man, die zeker beter schreef dan de meeste zijner tijdgenooten. Toch
lezen wij in zijn
Bijenkorf
:
2)
‘ende
den
man staat op’ (137
b
), ‘zoo
den
Houwelycken Staet een Sacrament is,
veel meer sal dan
den
Maeghden Staet een H. Sacrament moeten zijn’ (150
a
); ‘dat
een leefloose creature onse
n
Godt ende Salichmaker ware’ (76
a
).
Ook hij schrijft:
‘des Maeghts’ (96
b
); ‘de seven Weedommen onses liefs Vrouwen’ (138
a
); ‘des
1)
Nieuwe Taal- en Dk. Verscheid
. II, 61-67.
2) Ik gebruikte de uitgave z.j., t' Amsterd. by Michiel de Groot en Jacobus Conynenbergh.
Taal en Letteren. Jaargang 2
Comentários a estes Manuais