Engel IB144 Manual do Utilizador Página 411

  • Descarregar
  • Adicionar aos meus manuais
  • Imprimir
  • Página
    / 440
  • Índice
  • MARCADORES
  • Avaliado. / 5. Com base em avaliações de clientes
Vista de página 410
355
Voor die verder wil zal de kennis van 't nú, het vroegere eerst recht doen begrijpen.
Dat moet voor allen hoofdzaak wezen; en voor de meesten hoofdzaak blíjven.
II.
Naar aanleiding van de vraag heb ik al genoeg geschreven; 't wordt meer dan tijd
om die te beantwoorden. Half heb ik hem eigenlijk al beantwoord. En wat er nog
overblijft is te gemakkelijker, omdat het zich met het voorgaande op veel punten
laat aanknopen.
Het ging in de germaansche en indogermaansche talen net als nu
1)
.
Nieuwe woorden werden er geschapen. Anderen gevormd van ouder grondvormen.
Natuurlijk op de manier van in diezelfde tijd bestaande levende formaties. Daarbij
kwamen dus ook analoge invoegingen - zooals de -
e
-, -
er
-, -
s
-, e.a. Zoo wordt
het moeilijk de zoogenaamde woordstammen te vinden. Er is niet veel dat moeilijker
is dan etymologiseeren; goed, wel te verstaan. Want als nu de oudste vorming eens
verloren is gegaan, zooals mij b.v. het geval lijkt bij steke(-blind, enz.); hoe is dan
de woordstam aan te geven?
Veel van de tegenwoordige prae- en suffixen zijn afzonderlijke woorden geweest.
A priori zou men nu wel willen stellen: ze moeten 't allemaal geweest zijn. Nu wijst
er wel alles op dat de oudste taal, waar zich het indogermaansch uit ontwikkeld
heeft, de woorden gewoon-weg naast elkaar plaatste, even als 't chineesch. Maar
in de taal, die men door de verschillende indogermaansche talen te vergelijken als
grondtaal heeft geconstrueerd, blijven er suffixen als niet-zelf-bestaande woorden
over
2)
. Zoo o.a. de meeste uitgangen van de flexie en conjugatie.
Maar ook toen, als altijd, werkt er analogie-constructie en analogieformatie.
Dat maakt dat we geen gegevens hebben om uit te maken of de stammen, die
we opmaken, werkelijk in de oude taal bestaan hebben. Elke keer moet gevraagd:
zit er nog niet wat anders in?
3)
1) Vgl. Paul, Sprachprinzipien, van-zelfs; in 't bizonder blz. 297.
2) Kern zei: de taal, die wij als de oudste opmaken, en de oortaal, waaruit die kwam, staa verder
in tijd, etc. van elkaar dan de oudste opgemaakte en die we nu spreken.
3) Men houdt b.v. nest, lat. nidus, skrt. nīdás, geworden uit ouder nizdo. Dit zou een
samenstelling wezen uit ni + zd + o-, waar
zd
tot de V , zitten, hoort; 't woord zou ‘nederzet’
beteekenen. Zoo ook moet vorst (van een dak) uit een oud -sto ontstaan wezen, en dit
acht men samengesteld uit
pro
+
sto
= wat vooruit staat, ‘hervorstehendes’. - Vgl. friesch
‘wrachtig’ = wâr-áchtig.
Taal en Letteren. Jaargang 2
Vista de página 410
1 2 ... 406 407 408 409 410 411 412 413 414 415 416 ... 439 440

Comentários a estes Manuais

Sem comentários