379
Wat wenscht ge, dat, voor sombre beelden,
Te diep ons grijpende in 't gemoed,
Slechts blinkende deez' zang doorspeelden
Der vreugden rei, der lachjens stoet?
vs. 496.
slecht:
‘eenvoudig’, naar de oudere beteekenis, nog alleen voorkomende
in het bekende
slecht en recht:
‘eenvoudig en goed.’
vs. 505.
't vlammend graf ontstegen
bij het in de lucht vliegen.
vs. 506.
in 't rustelooze
(graf), namelijk de zee. -
nederzegen:
‘nedergezegen
waren.’
vs. 515.
En zijn verschiet?
In de nu volgende regels schetst ons de dichter het
beeld, dat voor B.'s geest verrees in de oogenblikken, voor hij de boot bereikt had.
In den eersten regel:
't Was
,
of de kust
, enz. wijzen de woorden
't Was
,
of
er op,
dat we hier slechts met een voortbrengsel der phantasie te doen hebben; zonder
gevaar voor misverstand kan nu in vs. 520-522 dat beeld als werkelijkheid
voorgesteld worden. De bedoeling is: Bontekoe gevoelde thans reeds, hoe hij,
eenmaal op Java geland, geen lust zou hebben tot een' verderen tocht; in zijne
verbeelding zag hij dan ook reeds het schip, waarmede hij de thuisreis zou doen,
ja hoe hij, na een' voorspoedigen terugkeer, zijne vaderstad zou wederzien.
vs. 519.
verraden
is: ‘iets geheims openbaren, bekend maken’, vandaar dat het
in fig. zin beteekent: ‘laten zien’, maar met het bijbegrip: ‘aan den oplettenden
waarnemer.’ -
grauw:
‘grijs.’
vs. 524.
Hoe schoot hij ze aan:
‘met hoeveel drift schoot hij die vleugelen aan.’ -
aanschieten:
‘snel aandoen’, ook van kleederen gezegd. We wezen er boven op,
dat
schieten
, intr., beteekent: ‘snel gaan’, trans. dus ‘snel doen gaan’;
aanschieten
derhalve: ‘snel aan (het lijf) doen gaan.’
vs. 525.
het oord van 't uchtendkrieken:
‘het Oosten’, waar de zon opkomt en dus
het eerst het ochtendkrieken wordt gezien. Evenzoo
't avondrijk:
‘het Westen’, waar
de zon ondergaat en de avond dus het laatst verschijnt. Meer gewoon zijn in deze
beteekenis:
morgenland
en
avondland
.
vs. 528.
der koopren keel
van het kanon, dat een' groet bracht aan de factorie op
de kust van G.; ook wel:
koperen mond
. In het
Jagertje
,
Poëzie
, I, 78 leest men van:
bevelen,
Door tal van kop'ren keelen
Verkond op d'Oceaan.
vs. 531.
wachtgelijk
, gevormd evenals
Godgelijk
.
vs. 532.
Hoe seinde hij de Hoornsche reê:
‘Met hoeveel drift, blijdschap gaf hij
het teeken, dat de Hoornsche ree in 't gezicht was.’
Een kust seinen
is ‘door teekens
te kennen geven, dat men die ontdekt heeft’. Zie Van Lennep,
Zeemanswoordenboek
.
Taal en Letteren. Jaargang 2
Comentários a estes Manuais