315
er nooit op, dat beiden in den grond één zijn; en men behandelt ze nooit zoo.
Men miskent, zoo doende, het eigenlijk wezen van de taal.
Het is alsof men 't menschelijke lichaam beschrijven ging; en daarbij de weinige
zoogenoemde overblijfsels uit vroeger periode, de vermoede rudimenta van een
vroeger bestaan als normaal, het massa-gewijzigde bij wijze van toegift, liefst als
af te keuren, beschouwde; en dit nog liefst in het
doode
corpus, brok voor brok
afzonderlijk; niet in onderling verband, waarbij de deelen,
levend
, op elkaar inwerken.
In de plaats van die antiquaire, en vrij geantiqueerde boedelbeschrijving, zal ik hier
een schets zien te geven van hoe ik allereerst de woordvorming graag behandeld
zag.
Tot nog toe geeft en krijgt men den indruk: de taal is afgedaan, het proces is
afgeloopen, de taalvorming is tot rust gekomen
1)
. Dat is zoo niet.
‘Het raadplegen der levende, der gesproken taal, dat is het ware, het eenig middel
om hier met zekerheid te werk te gaan’
2)
. Dat is de ‘moedertaal’, die leeft
3)
.
En wat leeft, verandert. Die taal is dan ook steeds in gestadigen overgang. Zij is
niet ‘etwas a/jointfilesconvert/336525/bgeschlossenes’. En daar moet juist nadruk op gelegd. Zoo is 't altijd
geweest.
Maar óok nog. Van die tegenwoordige levende taal uit kan alleen duidelijk gemaakt
worden, hoe, als men verder en verder teruggaat, bij elk menschegeslacht en van
dag tot dag, op éigenlijk wel dezelfde wijze, alle taal verandert -:
taalwording
, nu,
of voor duizend en tienduizend jaar, gaat op dezelfde manier.
Eerst dan zal men ook op de oudere taalperioden een juiste kijk krijgen.
1) Ook Vercoullie, Schets eener hist. gramm. der nederl. taal, rekent nog ‘woordvorming’, met
buigingsleer en syntaxis, tot de historische spraakleer, echter niet de woordenschat en de
woordbeteekenis. Hooren die er niet toe, dan ook de andere niet. Zie hiervoor blz. 311.
2) De Vries,
Inleid. Ned. Wdb
., blz. LXIX, wel in een ander verband. Maar eigenlijk voor alles
richtsnoer.
3) Evenals de volksdialecten, waar de beschaafde spreektaal het hare gedeeltelijk aan ontleent,
op dezelfde manier als aan de buitenlandsche talen, en aan de artiesten-taal.
Taal en Letteren. Jaargang 2
Comentários a estes Manuais