225
bij
genot
dan bij
genoegen. Gieren
, zooals kinderen doen, die het uitkraaien van
plezier. De wilden zijn slechts groote kinderen.
vs. 149.
uitgeláten
, participiaal adj., als bijw. gebruikt. Dat het geheel adj. is
geworden, blijkt uit den klemtoon. Het is eig. het deelwoord van
zich uitlaten:
‘zich
laten gaan, zich niet beheerschen, bedwingen,’
uitgeláten
is degene, die aan de
uiting zijner vroolijkheid den teugel viert.
vs. 151.
De veete tusschen werelddeelen; veete
is een langdurige, ingekankerde
haat, wrok. Hier is het de haat van Azië (de bewoners van Azië) tegenover Europa;
die haat had zich schril geopenbaard in de dreigende houding der inlanders; thans
was hij wel niet uitgedoofd, maar toch gesust.
vs. 153, 154.
de sterkte
en
het verstand
voor de bezitters daarvan.
vs. 158.
zijn regterhand
(hing)
niet
(
langer
)
strak op zij:
hing niet langer moedeloos
neder; zij was weer gereed, om bevelen te geven.
vs. 159.
luchtte
, bijvorm van
lichtte:
‘schitterde, blonk;’ vgl.
luchter
voor ‘kandelaar’
en
doorluchtig
, eig. ‘doorschijnend’ en vandaar ‘glanzend, schitterend, luisterrijk.’
vs. 162.
onbesuisd:
‘teugelloos, woest, wild.’ Zou
onstuimig
hier niet juister wezen?
Volgens het tegenwoordig taalgebruik zeker, maar raadpleegt men de voorbeelden
van beide woorden, in het
Wdb. der Ned. taal
opgegeven, dan ziet men, dat
onbesuisd
ook nog in de 19
e
eeuw meermalen voorkwam in een' zin, waar wij nu
onstuimig
zouden bezigen. Men zou dus kunnen zeggen, dat
onbesuisd
hier min
of meer een archaïsme is.
vs. 163.
verknocht
, gewoonlijk in beperkte opvatting, om groote gehechtheid
tusschen menschen uit te drukken; hier, als meermalen, in ruimeren zin:
‘verbonden, gepaard.’
vs. 171.
hij;
men legge op dit woord bijzonderen nadruk. Zij mochten schateren
en door dat geschater hem een' glimlach afpersen, van harte lachte hij niet.
vs. 177.
deze ontschoot:
‘zijnen lippen ontsnapte, ontviel.’
Schieten
, intr. is ‘zich
snel bewegen,’ bijv.
Hij schoot op mij toe. Het touw schoot los. De visch schoot naar
de diepte
, enz.
vs. 179.
't zong wuft gejoel. Zingen
‘bezingen’, als meermalen. Vgl. den aanhef
van Bilderdijks
Ondergang der eerste wareld
: ‘Ik zing den ondergang van d' eersten
wareldgrond’, enz.
vs. 182, 183. Men legge den nadruk op de woorden
teerheid
en
sterk
. Dat Potgieter
met deze tegenstelling het karakter der moedige mannen uit de 17
e
eeuw juist heeft
geteekend, wordt ook door het Journaal van Bontekoe zelf op menige plaats
bevestigd.
vs. 184, 185. Potgieter schijnt hier gedacht te hebben aan het verhaal der
Jacobsladder, waarlangs de engelen op- en nederstegen. Doch eene ladder bestaat
uit
sporten
,
treden
en niet uit
schakels
. Twee beelden, het eene: verbinding,
vereeniging, het andere: verheffing, opklimming, uitdrukkende, zijn hier ineengevloeid
en daardoor wordt de voorstelling onzuiver.
Taal en Letteren. Jaargang 2
Comentários a estes Manuais