373
nemen. Wie lust had, den Prins te dienen, riep natuurlijk:
Lang leev'
, enz.
vs. 6.
die
, nl. den stijven arm, den houten poot. Zegt men:
de drommel hale hem
,
dan verwenscht men hem; zoo verwenscht de liedjeszanger de lichaamsgebreken,
uit den krijg meegebracht.
vs. 7-8. ‘Is dus mijn geldjen op’, zoo zingt de maker van het liedje, ‘en komt de
nood, dan ga ik niet in het Staatsche leger; ik weet wat beters: ik neem dienst bij
de O.I. Compagnie’. Die Compagnie wordt nu door P., evenals hij dat later in zijn
Jan
,
Jannetje en hun jongste kind
deed, als een persoon voorgesteld met den echt
Hollandschen voornaam
Jan.
Ten einde de nu volgende allegorie te verstaan, merke men op dat P. beurtelings
denkt aan de Compagnie als zoodanig en aan de personen, die gewoonlijk naar
Indië gingen. De bijzonderheden, die betrekking hebben op de snel opkomende
macht en grootheid der Compagnie worden doorweven met persoonlijke trekken,
ontleend aan het type, waaraan zoo velen van hen, die in den dienst der Compagnie
waren getreden, beantwoordden. Zoo zien wij in strophe 2 een' jeugdigen losbol
naar Indië gaan, terwijl in de volgende de handelsondernemingen der Maatschappij
worden geschetst.
vs. 9.
dat brammetje:
‘dat pronkertje, dat heertje.’ Waarom is
een bram
een
pronker, bluffer;
een piet
, een, die uitsteekt boven anderen;
een klaas
een stijve,
houterige vent? Dat moet nog onderzocht en wordt misschien nooit gevonden. Hier
is zeker de volksverbeelding in 't spel geweest, die etymologisch verband zocht
tusschen persoonsnamen en woorden, die er in klank wel wat op geleken. Heeft
men zoo
bram
in verband gebracht met
brommen:
‘bluffen’ en een houten
klaas
met een houten
klos?
vs. 11.
boefjen:
‘schelmpje’.
vs. 12.
den kerfstok vol hebben:
‘zooveel op zijn geweten hebben, dat er niet
meer bij kan.’ Voor wie 't niet weten mocht, merken wij op, dat de kerfstok voorheen
bij bakkers en winkeliers gebruikt werd, om door middel van kerfjes de schuld aan
te teekenen. Was de kerfstok vol, dan was 't voor den klant hoog tijd, om te betalen.
vs. 16.
Hij werd Jan Compagnie
. Hier gaat de voorstelling over van den bijzonderen
persoon op de Maatschappij als lichaam.
vs. 17.
in en uit zijn met iemand:
‘groote vrienden met hem zijn’. Eigenlijk: familiaar
bij hem in- en uitloopen.
de Amboinees:
de bewoner der Molukken, van wien de
Nederlanders de specerijen, de kruidnagelen en de muskaatnoten kochten. De
Portugeezen werden door hen verjaagd (
getoffeld:
‘afgeklopt’), opdat zij de handen
vrij zouden hebben, niet door mededinging geplaagd zouden worden, in dien
specerij-handel.
Taal en Letteren. Jaargang 2
Comentários a estes Manuais