Engel IB144 Manual do Utilizador Página 339

  • Descarregar
  • Adicionar aos meus manuais
  • Imprimir
  • Página
    / 440
  • Índice
  • MARCADORES
  • Avaliado. / 5. Com base em avaliações de clientes
Vista de página 338
284
als een stortval uit de wolken
(ibid.), kan men
overschot
en de
grootste
appositiën
bij
Eva
en
verminkt
en
verschroeid
bepalingen van gesteldheid bij
lijk
noemen, maar
bij eenigszins aandachtige beschouwing blijkt toch duidelijk, dat die woorden bij
Eva
en bij
lijk
staan in de betrekking van een naamwoordelijk gezegde bij zijn onderwerp;
men zegt, door die bepalingen te gebruiken, dat
Eva het overschot en de grootste
schat is
, dat
de lijken verminkt en verschroeid zijn;
het zijn dus praedicatieve
bepalingen of praedicaatswoorden. In het eerste dezer beide voorbeelden vinden
we nog zulk eene praedicatieve bepaling, die, m.i. ten onrechte, soms wel tot de
beknopte bijzinnen wordt gebracht, nl. de bepaling
eens mij toebeschikt door God
,
behoorende bij het zelfst. naamw.
schatten
. Door deze uitdrukking te rangschikken
onder de beknopte bijvoeglijke bijzinnen, ziet men één onderscheid over het hoofd,
dat toch in de spraakkunst niet gering te schatten is. De bijvoeglijke bijzin toch komt
in dienst geheel overeen met een
attributief
bijvoeglijk naamwoord, terwijl de hier
voorkomende uitdrukking eene
praedicatieve
bepaling is.
De schatten
,
die mij eens
door God toebeschikt waren
, komt overeen met
De mij eens door God toebeschikte
schatten;
in beide uitdrukkingen is de bepaling bij
schatten
attributief; in het gebruikte
voorbeeld van Bogaers bevat het praedicatieve bijvoeglijk naamwoord
toebeschikt
een naamwoordelijk gezegde bij
schatten
en heet daarom praedicatieve bepaling
of praedicaatswoord. Het onderscheid nu tusschen
attributen
en
praedicaten
wordt
verwaarloosd, indien we dergelijke bepalingen gaan rangschikken onder de
bijvoeglijke bijzinnen.
Onmiddellijk geef ik toe, dat, wat de bedoeling van den spreker betreft, dat
onderscheid soms niet veel te beteekenen heeft. Wanneer ik b.v. iemand iets
vertellen wil van een paard, dan bereik ik met
dat paard is bruin
hetzelfde doel als
met
het is een bruin paard
. De bedoeling van den spreker echter blijft buiten
beschouwing, wanneer we ons rekenschap willen geven van de onderscheiden
betrekkingen, waarin we de zinsdeelen tot elkander kunnen voorstellen. In het eerste
geval noemt
bruin
een praedicaat, in het tweede een attribuut. De praedicatieve
bepaling nu komt overeen met het eerste, de bijvoeglijke bijzin met het tweede. Wat
den beknopten bijzin in het algemeen betreft, daaromtrent zal ik mijne beschouwing
in het midden brengen, bij het behandelen van de betrekking tusschen de toekenning
van het praedicaatswoord en die van het gezegde in den zin aan hetzelfde
onderwerp.
Is het praedicaatswoord van de hier behandelde soort een zelfstandig naamwoord,
dus behoort het tot die zinsdeelen, die ook wel eens appositie genoemd worden,
dan is de naamval weder gemakkelijk te bepalen. Ook hier wordt de algemeene
regel toegepast, waarop reeds gewezen is, nl.: HET NAAMWOORDELIJK GEZEGDE STAAT
IN DENZELFDEN NAAMVAL ALS HET ONDERWERP, WAARAAN HET WORDT TOEGEKEND, van
welken algemeenen regel dus de gebruikelijke naamvalsregel voor de appositie of
bijstelling weer een bijzonder geval is. De voorbeelden van het gebruik dezer
naamwoordelijke praedicaatswoorden zijn talrijk; hier volgen er eenige.
Taal en Letteren. Jaargang 2
Vista de página 338
1 2 ... 334 335 336 337 338 339 340 341 342 343 344 ... 439 440

Comentários a estes Manuais

Sem comentários