338
te voegen waren: steke-zot, puur-steke-zot, steke-vet, steke-vol. Waar zijn deze
naar gevormd?
1)
Nu voelen we nog nu en dan verband tusschen stok-doof en
moederziel-alleen b.v., en de enkel-woorden. 't Bewijs? Wel, zelfs een leek,
die zijn aandacht er op gericht wordt, probeert die, in hun verband met mekaar te
verklaren, vandaar die mooie ophelderingen van de laatste, b.v.: zoo alleen als bij
je geboorte.
26. Maar er zijn ook prae- en suffixen, waar men in 't geheel geen verband meer
gevoelt, zij hebben zich totaal gescheiden van hun enkelwoorden; zij zijn
woordvormsels geworden; het enkelwoord wijzigde zijn beteekenis, of vaak verdween
het zelfs geheel.
Bij ‘beren, dragen’ hoort, behalve de substantieven, (lijk-)baar, berrie, ook
baar
2)
. Dit tot suffix geworden adjectief is goed op z'n plaats in ‘vrucht-baar’. De
beteekenis ging van ‘dragend’ over in ‘kunnende dragen’, dat er ook in opgesloten
lag
3)
; daarna algemeener in ‘wat kan ....’, en toen kon men een woord als ‘draag-baar’
vormen; men hoort (en schrijft) het vaak al als ‘-ber, -bre’, wat te vergelijken is met
‘-rik’.
Zoo is -schap nog bewaard in 't adjectief schappelijk; 't engelsch kent nog
het substantief afzonderlijk: ‘shape’, maat, vorm, patroon, manier. Deze
beteekenissen zijn in ‘schappelijk’ nog voelbaar; ook nog in 't suffix -schap?
Zoo langzamerhand wordt -rijk nu toonloos, al lang is dit -lik, - wel nog -lijk,
maar ten onrechte geschreven
4)
. - Dit is een zuiver
1) Van Helten, Taal- en Letterbode, V, 237, brengt ze etymologisch met ‘stok’, en ‘stik’, en ‘stek’
in verband. Ik betwijfel de juistheid van deze onderlinge samenhang.
2) Vgl. oudhoogd. bâri, mhd. baere, nog als adjectief.
3) Dat een woord -baar eerst ‘dragende’, en dan door ontwikkeling van een bij beteekenis
ook: ‘kunnende dragen’ gaat beteekenen, daar heeft niemand wat tegen. Maar waarom
keurt men dan brekende waar, (on)roerend goed e.a. af? - is daar de wijziging
van beteekenis een andere? Ik kom bij de Beteekenis-leer er op terug.
Ook hierbij is waar wat ik op blz. 315 en 351 schreef: door de hedendaagsche
taal te bekijken, te zien hoe die is; hoe die nu leeft, en onder je oogen verandert, eerst
dan kan het vroegere verklaard en opgehelderd, de vroegere historie er van begrepen.
Deze beteekenissen, die er bij-in-begrepen zijn, kan men vergelijken met de glides of
gliding-vowels in de uitspraak, die ook de hoofdklank de baas kunnen worden, vgl. hiervoor
Cosijn, blz. 237; en het friesch, b.v. ké
a
l (kalf), pluralis ki
é
llen; hé
a
l (half), subst. hi
é
lte (helft).
4) Om de beteekenis en etymologie is dit toch niet noodig; vgl. Frederik, waarom dan? Vgl.?
L.A. te Winkel, Leerboek der Ned. Spelling, blz. 110: lijk, ohd. lih.
Taal en Letteren. Jaargang 2
Comentários a estes Manuais