263
vs. 253.
de krijgsgodin:
De Romeinen vereerden, naast den oorlogsgod Mars, ook
diens vrouw of dochter Bellona als krijgsgodin. In de 17
e
eeuw, toen onze litteratuur
met Grieksch-Romeinsche godennamen doorzult was, kwam haar naam nog al
eens voor. Men denke slechts aan het gedicht van Antonides,
Bellona aan bant
.
vs. 255.
elpen lier:
‘ivoren lier’, dus een speeltuig van eene kostbare stof, dat
heerlijke tonen voortbrengt. Het adj.
elpen
is bij verkorting gemaakt van
elpenbeenen
.
De olifant heette in 't mnl.
elpendier. Elpen
deed door zijn' vorm, -
en
, denken aan
een stoffelijk bijvnw., dat gelijk stond met het aan 't fra. ontleende
ivoren
. - Men lette
ook op de weglating van 't lidwoord
een:
zonder het adj. zou men dit niet kunnen
doen, met het adjectief heeft het niets vreemds. Zoo zijn er meer gevallen, waarin
het al of niet weglaten van het lidwoord onafhankelijk is van de opvatting der
substantieven. Om een enkel voorbeeld te geven: men kan wel zeggen:
Een stoffe
was 't voor lier of harp
, maar niet:
Een stoffe was 't voor harp
. Men lette ook in 't
vervolg van 't gedicht op dit verschijnsel.
vs. 256. P. roept hier het toegevend oordeel in der lezers voor het liedje, dat een
tijdgenoot van Bontekoe heet vervaardigd te hebben: het speeltuig van dezen zanger
was geen kostbaar instrument en van de tonen, die hij er aan ontlokte, mocht men
dus niet te veel verwachten.
De zeilwagen van prince Mouringh.
vs. 1.
Mouringh
, in de 17
e
eeuw bij het volk de gemeenzame vorm van
Maurits
. Men
denke aan Huygens'
Scheepspraet:
‘Mouringh, die de vrije schepen, enz.’ Het
achtervoegsel -
ing
diende vanouds ook, om verkleinwoorden te vormen.
Mour-ing
staat dus tot
Maur-its
in dezelfde verhouding als
Hein-tje
(in Huygens' liedje) tot
Hein-drik
,
Hendrik
.
vs. 4.
groote cijsen
,
rare kwasten
, bijstelling bij
half het Haagsche hof
. P. schrijft
cijs
voor
sijs
zooals men vroeger wel meer deed; het is de naam van het vogeltje,
waarbij men veelkleurig uitgedoste lui heeft vergeleken.
Groote sijsen:
‘voorname
pronkers.’ Een kwast is oorspronkelijk ‘een met kwasten versierde;’ vgl.
een hoed
voor iemand, die een' grooten of vreemden hoed draagt,
een pruik
,
een zwartrok
,
enz. Thans is het een ijdele pronker, een ingebeelde gek.
vs. 5.
te noen:
‘op den middag, om twaalf uur.’ Zie aant. op vs. 218.
Scheveling
,
een bijvorm van
Scheveningen
, die nog wel gehoord wordt; in de 17
e
eeuw ook wel
Schevering
. Beide vormen zijn door dissimilatie ontstaan
1)
.
1) Door
dissimilatie
verstaat men in de taal het tegenovergestelde van
assimilatie:
‘gelijkmaking’,
dus ‘ongelijkmaking’. Ten einde de opeenvolging der beide
n
's te vermijden, heeft men van
de eerste eene
l
of
r
gemaakt.
Taal en Letteren. Jaargang 2
Comentários a estes Manuais