11
het uit te willen zingen tegen den Graaf, met af te moeten dalen tot den rang van
bijpersonen, par acquit de conscience, ter wille van den belangstellenden lezer,
door den auteur nog even tot hun bestemming gebracht. Wat boeit u ook de
wederkomst van Bianca die Salerno, ons van den beginne af ver en vreemd
gebleven, nu gij eenmaal weet, dat bij Van Lennep alle dingen mogelijk zijn? En
toch voelt ge de gewaarwordingen waarmede de tragedie u vervulde, weer
verzwakken, als die hoorn des overvloeds van indrukken zich over u uitstort, - toegift,
zooals we haar noemden, - indrukken van grotesken humor en aangenamen boert,
indrukken die op geenerlei wijze de diepte van het gemoed beroeren en toch den
verheven jammer van Graaf Willem op den achtergrond dringen.
Is het noodig ons ongunstig oordeel in fijnere bijzonderheden te staven?
Onophoudelijk wordt onze belangstelling heen en weer geslingerd. Het is een
belangstelling als een lappendeken. Het is een bonte kaleidoscoop van indrukken,
zonder middelpunt en eenheid. Wij moeten eerlijk bekennen: De Roos van Dekama
is een boek zonder eenheid, het is als kunstwerk mislukt, ondanks veel kunst, omdat
zijne deelen geen organisch geheel vormen.
Hoe te verklaren, dat deze roman, bij zijn verschijnen met bewondering en
verwondering ontvangen, is blijven boeien en ook door ons nog bij elke nieuwe
lezing genoten wordt? Over deze vraag is elders breedvoerig gehandeld; thans
wilden wij handelen over het samenstel van het geheel; het antwoord mag kort zijn.
Het is omdat Van Lennep-zelve onder de helden van zijn boek is, wat zeggen wij?
de held bij uitnemendheid! In geen zijner werken heeft hij zoo onbezorgd, zoo
moedwillig verbeteren misschien enkelen, heeft hij zoo ongedwongen en ongemaakt
zich-zelven gegeven. Wandelt hij niet met zijn helden mede, zit hij niet met hen aan
tafel; woont hij niet als één hunner de middeleeuwsche feesten bij, heeft hij niet,
gansch op zijn gemak, zitting in hun vergaderingen, met ondeftige deftigheid?
Handhaaft hij hier niet (als in de gezelschappen zijner negentiendeëeuwsche
tijdgenooten), voor zoo menige goede uitkomst door zijn vernuft uitgedacht, zijn
aangeboren privilegie, terwijl hij allen aansteekt met zijne vroolijkheid, allen bij beurte
in 't zonnetje te zetten en tot speelbal van zijn luim te maken, of gezamenlijk in den
Jan-Pleizier van zijn foplust plaats te doen nemen? Nergers als hier genieten wij in
die mate, niet de orde van een welgebouwd kunststuk in de welberekende
verhoudingen en betrekkingen der indrukken, - maar de persoonlijkheid van den
auteur. De Roos van Dekama kan niet verouden, omdat hij overvloeit van het prettig
Taal en Letteren. Jaargang 2
Comentários a estes Manuais