287
stelling eener oorzakelijke betrekking en worden gebruikt om causaal verband uit
te drukken. Zoo wordt
nu
een redengevend voegwoord; zoo krijgt
bij
de beteekenis
van
door
; zoo geeft het voorzetsel
met
het aanzijn aan een voorwaardelijk voegwoord
mits
en een redengevend voegwoord
vermits
, zoo gaat de betrekking van
gelijktijdigheid, die we hier bij de praedicatieve bepaling opmerken, over in eene
redengevende betrekking. In:
zingende gingen zij naar huis
vinden we nog de
betrekking van gelijktijdigheid; in:
ziek zijnde kan ik heden avond niet komen
is de
betrekking redengevend. Die redengevende betrekking vinden we zeer dikwijls; o.a.
in de voorbeelden:
Claudine
,
onverschillig voor alles
,
sinds ze Frits had moeten
opgeven
,
had geen tegenstand geboden
(Mevr. B.-T.).
Eenig kind zijner ouders
,
was Van Veen de steun zijner moeder geworden
(Potgieter).
Hij
,
zelf een jongling
,
sloot zijn boezem niet voor 's jonglings teedre zorgen
(Staring) enz. De hier
opgemerkte betrekkingen, zoowel de oorzakelijke als die van gelijktijdigheid, hebben
er soms toe geleid, deze praedicatieve bepalingen te rangschikken onder de
beknopte bijwoordelijke, resp. redengevende en tijdbepalende bijzinnen. Het is hier
de plaats, over die benaming een en ander in het midden te brengen, ten einde aan
te toonen, waarom ik deze praedicatieve bepalingen niet zoo noem.
Bij het gebruik der benaming
beknopte bijzin
plaatst men zich ter beschouwing
van de deelen van een volzin op een geheel ander standpunt, dan ik hier inneem.
Dat standpunt wordt duidelijk, indien we slechts letten op de definitie, die men van
de beknopte bijzinnen geeft. Daarin valt wel verandering waar te nemen; zoo lazen
we b.v. in den 2
en
druk van de Spraakkunst van T. Terwey:
Meermalen gebeurt het
,
dat men een bijzin uitdrukt in den vorm van een zindeel. Zulk een zindeel kan en
moet dan ook in de ontleding tot een volkomen bijzin worden uitgebreid. Het draagt
den naam van beknopten bijzin
, terwijl de 8
e
druk zegt:
Meermalen gebeurt het
,
dat
een zindeel de waarde heeft van een bijzin
, en verder in plaats van van
uitbreiden
tot een bijzin
, van
vervangen door een bijzin
spreekt. M.i. geeft die laatste definitie
duidelijker het standpunt aan. Wanneer men bij de beschouwing der taal voornamelijk
in het oog houdt de bedoeling, die de spreker bereiken wil, dan zal men er dikwijls
toe komen, de uitdrukkingen, die werkelijk gebruikt zijn, te vervangen door andere,
waarin die bedoeling duidelijker is uitgedrukt. Bedoelt de spreker in:
dit gezegd
hebbende
,
ging hij zitten
, dat het
gaan zitten
in tijdsorde volgde op het
gezegd
hebben
, dan kan hij die bedoeling duidelijker uitdrukken in:
nadat hij dit gezegd had
,
ging hij zitten
. Wanneer men nu bij de ontleding die bedoeling wil doen uitkomen,
dan vervangt men de eerste uitdrukking door de tweede en noemt
dit gezegd
hebbende
een beknopten bijwoordelijken bijzin van tijd. Men kan zich echter bij de
beschouwing der taal iets anders ten doel stellen, nl. zichzelf rekenschap te geven
van de betrekkingen, waarin de deelen van een zin tot elkander
worden voorgesteld
,
zonder te vragen, met welke andere wijzen van voorstelling men hetzelfde doel zou
kunnen bereiken. Dan zegt men: het tegenwoordig deelwoord stelt eene wer-
Taal en Letteren. Jaargang 2
Comentários a estes Manuais