342
is - dit hier terloops - het kennen van de volksetymologie meest van meer waarde
dan het weten der wetenschappelijke etymologie.
1)
29. Het oorspronkelijk samengestelde woord werd tot een enkel-woord. Zoo is 't
ook met de woordjes ten en ter. Oorspronkelijk was dit een samenstelling uit te
+ den, en te + der; men voelde ze al gauw niet meer als samenstelling, maar
puur als nevenvormen naast te. Mocht men in ‘ten huize’ nog min of meer het
lidwoordelijk bepaalde meenen op te merken, in: ten uwen huize, ten
hunnen huize al niet meer; evenmin als in ter uwer verjaring. Dan komt
er analogie
2)
en daarom staat het nu zóo met het gebruik: wie nog te, ten en ter
wil gebruiken - meestal wordt dit verband uitgedrukt door tot, voor, bij, aan, in, etc.:
het is tot uw dienst, zal bij u aan huis worden bezorgd, bij hem aankomen, in
Amsterdam wonen, etc. - maar wie 't dan nu toch gebruikt, moet zich herinneren
dat als het volgend er bij hoorend woord op -en uitgaat, er ‘ten’, wanneer 't -er is,
er ‘ter’ voorstaat: ten uwen, hunnen gerieve, ter dezer gelegenheid, enz.
3)
.
't Spreekt bijna van-zelfs dat dit foutief wordt genoemd; 't heeft echter alle recht
van bestaan
4)
, evengoed als honderde analogie-for-maties, die de afkeurder mogelijk
alleen billijkt omdat hij ze als zoodanig niet kent.
1) Vgl. om uwent-wille; te zeewort = zee, eig. zeewaarts, bij Huygens, e.a. en daarnaast weer:
te zeewort an = ons zeewaarts; ‘daerom omtrent’ bij Huygens, Eymael Zedeprinten, blz. 55,
nog hier en daar in gebruik.
Zie ook hiervoor, blz. 317, noot 3; en Verdam, Geschiedenis Ned. Taal.
Ook ‘in lichte laaie vlam’ hoort betrekkelijk hier bij. Te eerder werd ‘vlam’ er bij gezet, omdat
‘laaie’ eigenlijk. een dialect-woord is; tháns is ‘laaie’ adjectief.
2) Reeds is het middelnederlandsch passim; vgl. van Helten, Middelned. Spraakk. § 345; 373,
Opm. 2.
Uit ‘ter harte, ter oore’ mag men niet afleiden dat ‘harte’ en ‘oore’ vrouwelijk geweest zijn, als
men geen ander bewijs heeft; daar kan naar analogie ‘ter’ voor gezet zijn, evenals bij ‘vlug
ter been’, ‘ter wille van’, ‘ter loops’, ‘ten guns te van’.
3) Zie al van Helten, § 208.
4) 't Is net zoo een als ‘om den broode’, om zal toch wel altijd een accusatief gehad hebben?
Of dat men zegt: hij is viermaal zoo klein als die daar; naar 't model van ‘hij is viermaal zoo
groot als A’.
Men kan toch oorspronkelijk niet zeggen van: zoo klein als A, en dan een rest die nog eens
zoo klein is als A, en dan nog een tweede rest enz.
Zooals men wel zeggen kan: ‘A is zoo groot als B., met nog een rest; die rest is weer zoo
groot als B met nog een 2
e
rest; díe is weer zoo groot met nog een 3
e
rest, en dié is juist
weer zoo groot als B ook is’ [aldus verklaard ons toegezonden door den heer van Thiel te
Purmerend]
Men moet dus van dit laatste uitgaan om de verklaring van het eerste te vinden.
Taal en Letteren. Jaargang 2
Comentários a estes Manuais