120
zin luiden: ‘ad malis (datief in plaats van den ablatief met
a
) horrorem tam horribilem
aestimandum’, wat wij nu zouden overbrengen in deze woorden: ‘om te maken, dat
door de boozen hun afgrijzen (van de deugd) zoo afgrijselijk geacht werd.’ In
‘Voorspraeck’ vs. 40 is de
d
van
medgenood
over het hoofd gezien. Als secretaris
was Maurits Huygens geen
genoot
of
lid
van den Raad van State, maar
medegenoodigd
aan de vergadertafel. Bij vs. 59 had kunnen gewezen worden op
de mogelijkheid, dat
teerer
comparatief is, zooals ik voor waarschijnlijk houd; bij vs.
79 is
sijn vreese
en
sijn min
niet verklaard: het eerste als
ontzag voor hem
, het
tweede als
liefde voor
of misschien ook
van hem
; bij vs. 83 is de dubbelzinnigheid
der woorden
in de wolck
door verzwijging van de noodzakelijke plaatsbepaling
in
de steenen tafelen
niet voldoende aangewezen. Ook is de aanhaling van
Exodus
13 vs. 21 onjuist. De wolk is eenvoudig de wolk, waarin de berg Sinaï gehuld was,
en
in de wolck
beteekent dus: op den omwolkten berg Sinaï. De Heer Eijmael heeft
zich door eene drukfout (
Exodus
13 vs. 18) in de uitgave van 1672 van het spoor
laten brengen. In de
Otia
van 1625 citeert Huygens
Exodus
31 vs. 18: ‘Ende hij gaf
aen Moze, als hij met hem op den bergh Sinaï te spreken ge-eyndight hadde, de
twee tafelen der getuygenisse, tafelen van steen, beschreven met den vinger Godes.’
Ook in de prozavoorrede tot den ‘ledigen leser’ zou het geen kwaad gekund
hebben bij de tegenwoordig geringe bijbelvastheid de plaats uit den zendbrief aan
de Hebreeën (I, vs. 3), waarop gezinspeeld wordt, aan te halen in de vertaling van
den Statenbijbel: ‘het uytgedruckte beelt sijner (d.i. van Gods) selfstandigheyt’, d.i.
het stempelbeeld van Gods substans. Tevens ware het wel noodig geweest, op te
merken, dat
van God des Vaders wesen
in strijd met ons spraakgebruik beteekent:
van het wezen van God den Vader
.
Bij ‘een koningh’ vs. 3 ware eene verklaring van
uytstaet
als
blootgesteld is aan
misschien niet overbodig, omdat
uitstaan
nu
doorstaan
beteekent; bij vs. 8 dient
bijgevoegd, dat de rederijkersgedichten altijd met
prince
eindigden; bij vs. 9 was
eene verklaring van
breeckt
als
heenbreekt
gewenscht; bij vs. 13 is
onder-God
onverklaard gebleven. Huygens noemt de koningen meermalen
ondergoden
(b.v.
Korenbloemen
1672, I, bl. 444 vs. 110 - maar
Daghwerck
vs. 1649 noemt hij de
rechters zoo). Den paus heet hij
Opper-onder-God
(
Korenbl
. I, bl. 452, vs. 26). Met
Onder-God
bedoelt Huygens
Gods stedehouder
en hij is dus niet zoo republikeinsch
in zijne voorstelling als de Hr. E. meent en m.i. te onrechte uit
Opper-knecht
afleidt,
omdat knecht daar niet
ondergeschikte
beteekent, maar iemand, die slaaft en zwoegt
en zweet voor het algemeen welzijn. Dat in vs. 32
draeven
beteekent
voordraven
,
gemonsterd worden
, had wel eenige opmerking verdiend, evenals dat daar blijkbaar
gedacht wordt aan de onderhandelingen, nog in 1623 gevoerd over een huwelijk
van den Prins van Wales (later Karel I) met Maria, de dochter van Philips III. Bij vs.
41 wordt niet gewezen op de dubbelzinnigheid in
rust
, als nachtrust, die de slaap
ontstelen kan aan den arbeid, en gerustheid, veiligheid, waarvan de slaap den
koning juist kan berooven.
Taal en Letteren. Jaargang 2
Comentários a estes Manuais