218
vs. 26.
schiften:
de beschaduwde plekken scheidden zich door hare donkerder kleur
(donkerblauw) af van de lichtere (vonklend goud).
Schiften
, intr. ‘zich scheiden’;
de
melk schift:
het vastere deel scheidt zich (van het vloeibare) af;
schiften
, trans.
‘uitzoeken, sorteeren’, dat ook bestaat in het afscheiden van het betere of slechtere.
vs. 28.
verkeeren:
veranderen, wordt in deze bet. zoowel trans. als intr. gebruikt;
prauw
, algemeene benaming voor alle inlandsche roei- en zeilvaartuigen, Veth,
Uit
Oost en West
, 288; hier was 't maar een prauw
tje
. Wanneer noemt men een vaartuig
rank?
En wat is het verschil tusschen eene
ranke
en eene
slanke
gestalte?
Ruw:
met gebrekkig gereedschap gemaakt; daardoor slecht afgewerkt.
vs. 29.
vast
, hier ‘al’, zooals wij dit gebruiken in
al sneller
,
al beter
. Potgieter
gebruikt het, behalve in de bet. ‘stellig, zeker’, ook dikwijls in die van ‘reeds’, waarover
men ook hoort
alvast
. Nu liggen
al
en
reeds
ook vlak naast elkander:
ik kom al
en
ik kom reeds
. Zoo kon
vast
dus gemakkelijk de beteekenis van
al
bekomen.
vs. 30.
den haat
,
den dood
, bep. van omst. in den acc. De haat in de harten der
inlanders wordt een medepassagier; dreef die haat hen tot een' moord, dan zou ook
de dood met hen varen.
vs. 31.
mogt
. Waarom niet:
droeg ze?
Omdat we in onze verbeelding de prauw
eerst zien naderen en de mannen, die zich daarin bevinden, niet dadelijk kunnen
onderscheiden.
Naar het scheen
, droeg ze een drietal mannen.
vs. 34.
kris:
dolk, ponjaard, Veth,
Uit Oost en West
, 338.
vs. 39.
anteloop
, gewoonlijk
antilope
.
vs. 40.
schalk
, als bijw. Van ouds werd dit woord in dezen vorm als zelfstnw., als
bijvnw. en als bijw. gebruikt. Later maakte men van het subst.
schalk
het bijvnw.
schalksch
en het bijw.
schalks
. De laatste vorm heeft niet de minste reden van
bestaan; men kan van een' persoonsnaam wel een adj. maken door middel van
-sch: boersch
,
kindsch
,
slaafsch
en deze woorden weer als bijw. gebruiken:
Hij gaat
boersch gekleed
, maar dan verliest het woord de
ch
daarom niet.
vs. 44.
gaaiken
voor
gadeken:
de wijfjesvogel. De casuarissen maakten zich dus
mooi, door het water op de veeren te doen spatten. Dit laatste
doen schuimen
te
noemen is wel wat sterk. Toch bestaat
schuim
ook uit waterbellen. Men make voor
zich zelven 't verschil duidelijk tusschen:
kleeding
,
kleedij
,
gewaad
,
dos
.
vs. 46.
die school in 't loof
, zooals de antilopen;
dook in 't nat
, zooals de
casuarissen.
vs. 52.
Wèl mogt hij
(dat doen);
mogen:
‘reden hebben tot.’
vs. 53.
de oostewind
. De westenwind belette op onze kusten den schepen het
uitvaren. Vgl. Bogaers in
Heemskerks Tocht:
‘Lang sperde 't bulderend noordwest
de monden toe van 's lands rivieren.’
Taal en Letteren. Jaargang 2
Comentários a estes Manuais