250
plaats is er, waar ik geloof een zeker spreekwoord omtrent Homerus te mogen
toepassen. Ik bedoel vs. 454 van
't Cost. M.
(Worp, bl. 257), waar wij lezen: ‘na 't
rijsen’, terwijl al de uitgaven, die ik kon vergelijken, ‘na 't prijsen’ hebben. Is dit geene
vergissing of drukfout, dan had aan den voet der bl. vermeld moeten zijn, dat al de
drukken hier van het Hs. afwijken. Een fout zou verder kunnen schuilen, maar ik
twijfel zelf, in vs. 33 van
C.M.
, waar we lezen: ‘Twee sierelijcke niet maer sinnelijcke,
brauwen’, terwijl de verschillende drukken hebben: ‘Twee sinnelicke meer dan
sienelicke brauwen’. Sierlijk is mogelijk, maar zienlijk meer te verwachten.
1)
Is het eerste deel van
Huygens' Gedichten
als proeve voor het geheel belangrijk,
ook op zichzelf is het zeker een der belangrijkste deelen. Het bevat toch behalve
twee der meest gelezen werken (
't Voorh
. en
Cost. M.
) vele tot nu toe ongedrukte
verzen, vooral uit jeugd en jongelingstijd. Iets aantrekkelijks ligt er steeds in 't
aanschouwen van het eerste klapwieken van den dichterlijken geest - al treedt in
H.'s werken het vernuft te veel op den voorgrond, dichterlijken aanleg zal men hem
toch zeker niet ontzeggen? -; hoe kan men zich de stemming voorstellen van den
elfjarige, toen hij den 17 Dec. 1607 ‘sub vesperam’ op het cahier, waarin hij zijne
pennevruchten wilde verzamelen, met jongensachtigen overmoed schreef: ‘Non est
mortale quod opto’, al noemde hij zijn werk slechts ‘versiculi’. Belangwekkend zijn
die verzen ook voor de kennis van zijn karakter en zijne levensomstandigheden.
Ook de gedichten, tot enkele jonge dames gericht, werpen een, zoo niet altijd nieuw,
dan toch helderder licht op de geschiedenis van zijn gemoedsleven.
En wat den bekenden gedichten aangaat, de tekstverklaring wordt ten zeerste
ge- baat door het naast elkaar opgeven van verschillende lezingen en noten, zoowel
van de uitgaven
1)
als van de Hss.
2)
.
Uit die verschillende lezingen zien wij ook, hoe H. trachtte den vorm vloeiender
te maken, somtijds met verlies van innerlijke schoonheid (o.a.
Cost. M.
vs. 14).
Meermalen zijn de veranderingen geene verbeteringen (o.a.
Voorh
. vs. 447).
Slechts eene korte aankondiging, geene beoordeeling wilde ik geven; ik eindig
dus met deze uitgave van Huygens' gedichten dringend aan te bevelen bij allen,
die belangstellen in onze letterkunde, en vooral bij hen, die gaarne wat dieper
doordringen in de kennis van de meesterwerken onzer zeventiende eeuwsche
dichters. Een uitgave van de dichtwerken van Huygens verdient den steun van het
Nederlandsche volk, al moge de nieuwere kunsttheoriën eene andere richting
uitwijzen, dan die hij de ware geloofde.
DEN HAAG, Mei, 1892.
Dr. C.H. PH. MEYER.
1) Bij 't noemen van dezen regel wil ik eene verklaring opperen voor de volgende, zeer moeielijke,
verzen (34-36), nml. deze: de wenkbrauwen worden door 't uittrekken van de bovenste haren
smaller gemaakt, en tevens, naar Grieksch model, rechter, zoodat zij te zamen als 't ware
ééne lijn vormen, die bij den neus afgebroken is. De beelden van Juno vertoonen
wenkbrauwen, die, wel verre van buitengewoon gewelfd te zijn, eenen zeer zwakken boogvorm
hebben (vgl.
Huygensstudien
bl. 14).
1) Toen Dr. Eymael
veronderstelde
, dat vs. 116 van 't
C.M.
zou beduiden: ‘Van allen zich minst
vergist’, had hij zeker niet de Lat. kantteekening van H. voor zich (nml. Furentem dicere verum
quid vetat), daar deze
zekerheid
geeft; evenmin Dr. Verwijs, toen hij in vs 263 de hand van
God bedoeld achtte, waar de aanhalingen van H. opheldering geven, enz.
2) Een enkel voorbeeld van het nut der verschillende lezingen van de Hss. Dr. Eymael verwierp
de verklaring van
Crans
(vs. 46 van 't
C.M
) als
hoofdtooisel
, en gaf die van
kroonlijst
,
overdrachtelijk voor het kleedingstuk 't
bouwen
. Het Hs. bevestigt deze verbetering, daar het
in plaats van
Crans
het woord
trans
heeft.
Taal en Letteren. Jaargang 2
Comentários a estes Manuais