Engel IB144 Manual do Utilizador Página 157

  • Descarregar
  • Adicionar aos meus manuais
  • Imprimir
  • Página
    / 440
  • Índice
  • MARCADORES
  • Avaliado. / 5. Com base em avaliações de clientes
Vista de página 156
109
Over het eigenlijke Letterkundige oordeelen wij thans niet, daar wij een afzonderlijk
verslag geven van litterarische studiewerken. Wel wijzen wij aan, welk déél de
Letteren hebben aan dit boek. De Inleiding (1-30), die op enkele bladzijden na over
het stellen, litterarische dingen raakt, blijft buiten beschouwing. De methode
openbaart zich in het vervolg. Onder de opschriften ‘Tollens’, ‘Bogaers’, ‘De
Génestet’, ‘Potgieter’, ‘Staring’ wordt iets over deze dichters verteld. De bladzijden
(31-37) over den eerste zijn, op eene cacographie na uit
De overwintering
, die niet
onnut is, van litterarischen aard. Er wordt nog een aantal woorden uit datzelfde
gedicht opgesomd, die nader bekeken mogen worden: deze onder 's lezers aandacht
te brengen, heeft ongetwijfeld zijn nut: nuttiger zou het geweest zijn als de heer
Koenen zelf bij sommige het woord had genomen. Pag. 38-42 (Bogaers) is niet
letter-, maar taalkundig: twee strophen uit een gedicht, met een woordje over
paraphraseeren en over het nut der zinsontleding, gevolgd door eenige gewone
taalvragen; daarna wordt
De dooi
medegedeeld, en
zonder eenige
toelichting en
voorbereiding te schenken, noodigt de schrijver zijn man uit deze schoone verzen,
die zich zoo bij uitstek tot een hoogere taalkundige oefening leenen, in ‘eigen taal
weer te geven’. Van 42-45 vindt men over synoniemen gehandeld, uit het oogpunt
der etymologie en van het taalgebruik. Aan een paar bladzijden waarin de velerlei
beteekenis van een enkelen klank ter spraak komt, knoopt zich een goed en beknopt
overzicht der Tropen en Figuren vast. Dan volgt een en ander omtrent de
redekundige ontleding en 67-69 bieden een nog al bonte mengeling aan van
taalkundige vragen: van alles wat. 70-78 heeft betrekking op De Génestet: half
taalkundig, ietwat letterkundig en niet bijzonder leerzaam in ons oog. Twee bladzijdjes
over en met vragen over synoniemen. Potgieter krijgt nu een beurt (81-88):
voorgelegd wordt ter overbrenging ‘in eigen taal’, zonder eenige beschouwing,
Afscheid van Zweden;
enkele taalvragen naar aanleiding van den aanhef van
Het
Rijksmuseum;
van 85-87 treffen wij hier een geheele reeks vragen die op den
passieven vorm der werkwoorden betrekking hebben, vragen, die zoo zij in onderling
verband door den auteur van het boek zelf voor den studeerende behandeld waren,
inderdaad een mooie taalles zouden geworden zijn; de schrijver komt dan in eenige
vragen op zijn stuk proza terug, om te eindigen met eenige foutieve en foutachtige
zinnen uit Potgieter aan het oordeel des lezers toe te vertrouwen. Staring! (88-98):
op een fragment van
Ivo
met een aantal gemengde opgaven,
ad rem
en niet
ad
rem
, volgt
Aan Parijs
(91-95): dit nu wordt op verdienstelijke wijze als geheel en in
bijzonderheden beschouwd; meer taalkundig is de oefening bij
Adeline Verbeid;
de
bladzijde, die op het Epigram van Staring slaat en er een vijftal lezen laat, gaf ons
genoegen met de toelichting van het bekende
Is 't weinig Dichterloofs
. 98-103 is
weer een allerlei van taalkundige dingen; en wel wordt er
met oordeel
over
laten
gevraagd, doch een kleine verhandeling ware ons liever geweest; ook het lastige
onderschikkende
of
verdiende iets anders dan een vraag.
Taal en Letteren. Jaargang 2
Vista de página 156
1 2 ... 152 153 154 155 156 157 158 159 160 161 162 ... 439 440

Comentários a estes Manuais

Sem comentários