112
In vraag 4, bladz. 76 had moeten zijn
meegedeeld
, dat De Génestet over
kinderpoëzie heeft gehandeld. De aanhaling (78) van Hildebrands opstel over
Humoristen in de Camera vinden wij niet gelukkig. Zal de leerling uit de vraag naar
het onderscheid tusschen ‘twijfelen’ en ‘weifelen’ (80) niet licht een verkeerde
etymologische conclusie trekken? Is ‘hulde doen’ in
Adeline Verbeid
(96) onjuist?
Niet iedereen zal weten, wat men onder ‘de betrekking van inwilliging’ verstaat (99).
Vraag 25 en 29, waarvan vooral de laatste ons zeer bevalt, hadden wij gaarne door
den schrijver zelf zien uitwerken niet alleen, maar beantwoorden. Op bladz. 103
trok deze zin onze aandacht: ‘Is
het bestaan van den Conditionalis
te verdedigen,
als men uitgaat van het
beginsel
,
dat
de wijzen de vormen zijn, waardoor de spreker
aanduidt, hoe hij de gedachte wil opgevat hebben in betrekking tot de werkelijkheid?’:
Wij cursiveeren hier en vragen wat de studeerende onderwijzer hierbij denken kan.
Bladz. 108 heeft eene
verschrijving:
‘een gr. w.w. dat
wenden
beteekent’. Dat de
constructie met den infinitief na ‘hooren’ etc. ‘een nabootsing van de Latijnsche
constructie’ is kan men op 121 nog eens lezen. Dat ‘verwaten’ een verl. deelw. is,
valt toch wel niet te betwijfelen? (123). ‘Ader’ (132), ‘rechtschapen’ (133), ‘gevecht’
(147), ‘aerdigh’ (153), ‘Burgemeestren’ (154) hadden verklaard moeten worden.
‘
Bewijs
’ uit Gijsbrecht, Palamedes, enz. ‘dat Vondel andere modellen volgde’, is
verkeerd uitgedrukt (132). Dat de schrijver, van 149-151, de paraphrasen zijner
leerlingen meedeelt, zal menigeen wellicht met ons afkeuren.
Bang
om een
jongmensch over het paard te tillen zijn wij niet, maar het
boek
kan er buiten. En
eindelijk, bij het fragment van Vondels
Rijnstroom
(161-162), moeten wij nog ééns
vragen, of hij die gebruik maakt van deze ‘handreiking op 't gebied van Taal- en
Letterkunde’ (gelijk het heet op den titel), aan dat vijftal
vragen
genoeg voorbereiding
van den kant des leeraars geniet, om met goed gevolg de omschrijving ‘in eigen
taal’ op zich te nemen?
7.
Proefsteen voor 't Examen
,
door M.J. Koenen
. 1889. (
f
0.75.)
Bestemd is deze proefsteen voor Candidaat-Onderwijzers. Over deze bestemming
mag ons oordeel niet gaan. Doch de schrijver is van meening, dat hij ook den
Candidaat-Hoofdonderwijzer ten goede komen kan, en dit zijn wij met hem eens.
Men vindt hier geen fragmenten taal ter verklaring. In de eerste veertig bladz., die
voornamelijk op het etymologische betrekking hebben, is vrij wat te leeren dat te
pas kan komen: hier wordt veel
meegedeeld
. Hoofdstuk III en IV bestaan uit vragen
over andere gedeelten der Spraakkunst en over de Spelling. Doch ook hier ontbreekt
de
mededeeling
niet en tal van opgaven zijn zoodanig met voorbeelden geïllustreerd,
en zoodanig gesteld, dat de
Proefsteen
ongetwijfeld een nuttig studiewerkje heeten
moet: wij hebben er gaarne een warme aanbeveling voor over. Alleen houde de
studeerende in 't oog, dat deze ‘
krachtmeter
’ van den Candidaat-Onderwijzer het
niet tevens kan zijn van den Candidaat-Hoofdonderwijzer. Zoo er toch onderscheid
is tusschen de studie des eenen en die des anderen (
zijn moet
Taal en Letteren. Jaargang 2
Comentários a estes Manuais