90
oder er ist aus der stadt
.
1)
Ook hier is men stellig van volzinnen als de beide eerste
uitgegaan, om ten slotte het voegwoord
oder
ook te gebruiken in volzinnen als de
beide laatste, waar het, uit het oogpunt der logica beschouwd, geen behoorlijken
zin oplevert.
De belangstellende lezer, die dit opstel tot hiertoe gevolgd heeft, zal, wanneer hij
tevens belast is met het onderwijs in de hedendaagsche grammatica, nu allicht
vragen, of de bedoelde zinnen met
of
dan ook niet behandeld moeten worden bij
de nevenschikkende zinsverbinding. Wij zouden op die vraag zoowel ontkennend
als bevestigend kunnen antwoorden. Alles hangt hier af van het standpunt, waarop
men zich bij de behandeling der leer van den zin plaatst. Gaat men daarbij uit van
het beginsel, dat de vorm van een' zin de beslissende factor is bij de benoeming
daarvan, dan zal men de bedoelde volzinnen beschouwen als nevengeschikte
zinnen en ze een plaatsje geven in het hoofdstuk, aan de beschouwing dezer zinnen
gewijd. Is men daarentegen van meening, dat het de voorkeur verdient, de zinnen
te rangschikken naar den dienst, welken zij verrichten, vraagt men dus in de eerste
plaats naar de logische betrekking, dan zal men ze liever behandelen bij de
onderschikkende zinsverbinding.
In het eerste geval zal men dan voor de moeilijkheid staan, dat het uitsluitende
voegwoord
of
alleen bij de drie eerste groepen meer of minder op zijne plaats is,
doch dat de betrekking der beide deelen in de overige groepen door het gebruik
van dit voegwoord volstrekt niet opgehelderd, maar eerder verduisterd wordt. Wil
men dan den aard der betrekking toch in het licht stellen, dan zal men genoodzaakt
zijn, reeds een voorloopig uitstapje te maken op het gebied der onderschikkende
zinsverbinding.
Doch ook wanneer men de bedoelde volzinnen bij de onderschikkende
zinsverbinding behandelt, zal men op zwarigheden stuiten. Men zal toch ten einde
de logische betrekking tusschen de beide leden in de hedendaagsche taal duidelijk
te maken bij de groepen 1, 2, 3, 4 de hulp moeten inroepen van de vroegere
ontkenning. Bij de groepen 5, 6, 7 daarentegen zou de invoeging van het ontkennend
bijwoord de juiste opvatting der bedoeling van den zin slechts schaden, indien men
althans bij 5 en 6 niet tevens weer zijne toevlucht wilde nemen tot het voorwaardelijke
indien
. Men kan er dan op wijzen, dat deze volzinnen wel alle den vorm hebben van
twee nevengeschikte zinnen, door het
1) Vondels taal II, p. 161.
Taal en Letteren. Jaargang 2
Comentários a estes Manuais