310
der historisch-letterkundige vragen met zekerheid beantwoord wordt, mag aan deze
studie den lof niet onthouden dat zij flink op de zaak ingaat. Alleen merk ik op dat
de plaats op blz. 15 meegedeeld uit den middelduitschen tekst, wellicht verkeerd
verstaan is, en geen oude mythologischen trek bewaart. Zou de ‘wunneclichen’ door
de wolken dringende man niet de ‘maan’ wezen?
Bonn
.
J. FRANCK.
Sprokkel. ‘Over opvoeding en onderwijs.
De wetenschap houdt zich bezig met het begrip: dat juist is haar werk; het
algemeene. Zij bezit de wereld als begrip; zij bezit haar in het begrip. Maar de
tegenwoordige maatschappij verkeert in het denkbeeld, dat wij de wereld niet
anders dan als begrip kunnen bezitten en dat het voor iedereen de hoogste triomf
moet zijn haar zòò te bezitten; de geheele opvoeding heeft zij daarop
gericht. En dat is een ongeluk. Wij kunnen de wereld als aanschouwing
en in de aanschouwing bezitten: niet als abstractie, maar in hare volle werkelijkheid:
niet als iets voor het verstand, maar als iets in het gevoel. Zoo bezit haar de dichter,
de kunstenaar, - zoo bezitten de kinderen haar; wij hebben haar allen zoo bezeten,
toen wij nog kind waren. Daarop moest de opvoeding uit zijn, dat
verband tusschen het kind en den kunstenaar niet te verbreken maar te versterken.
De wonderen rondom ons, het overweldigende wonder rondom ons, het mysterie
waarin wij leven en ons bewegen, moest ons geen skelet zijn, waarvan men de
beenderen tellen kan; dat men zich eenmaal op school laat verklaren, om het
voortaan als iets zeer gewoons te laten rusten. Wij kennen slechts de boom en de
boomen zien wij niet. Overal plaatst het begrip zich tusschen ons en de dingen.
De schepping is nog altijd de oude: schoon, verheven; onuitputtelijk rijk in
verhevenheid en schoonheid, als op den eersten morgen. Maar wij bewonderen
niet meer; het beste in ons versterft bij gebrek aan bewondering. Wij zijn koud voor
het groote geheim in ons en om ons; wij schudden alle piëteit uit en naderen tot de
dieren.’ ‘De aanmatiging van het Gezond Verstand is te ver gegaan. Er is een
algemeene doodigheid van het gemoed.’
‘Maar zoo onrechtvaardig en willekeurig heeft het rationalisme den scepter
gezwaaid, dat thans alles wat nog een nog open heeft en nog voelt, de
abstractie van zich afschudt. Men wil de dingen-zelf, individueel, èèn
voor èèn. Men wil de wereld zien. Men gevoelt, dat er behalve en vòòr dat doode
begrip “boom”, een talloos aantal bewonderenswaardige individuen zijn, kortweg
allen “boom” geheeten. De voorgaande periode won de wereld als begrip en in het
verstand bezitten. Thans wil men de wereld bezitten als aanschouwing en in het
gevoel. Men merkt het hoe langer hoe meer, dat zij voor het aanschouwen even
oneindig is, als voor het verstand.’
VAN DEN BOSCH, Decadentie en nieuw leven.
(
Stemmen uit de Vrije Gemeente
, 1892 blz. 180.)
Taal en Letteren. Jaargang 2
Comentários a estes Manuais