88
geene andere plaatsen kunnen aanhalen, dan zulke, waarin
of en
voorkomt en
waarbij dus althans nog een zweem van mogelijkheid zou bestaan, dat men
of
als
indien
had opgevat. Vrij gerust mogen wij derhalve aannemen, dat men werkelijk
bij de gevallen der drie eerste groepen de redeneering heeft toegepast, die wij
hierboven gaven.
Maar hoe dan nu de overige gevallen te verklaren? Dit zou niet wel mogelijk zijn,
indien we niet de hulp konden inroepen van een' factor, die op het gebied der taal
onophoudelijk werkzaam is en een' machtigen invloed uitoefent. Wij bedoelen de
zoogenaamde analogievorming. Deze bestaat o.a. hierin, dat ‘de spraakmakende
gemeent'’, door één of meer punten van overeenkomst verleid, meermalen gevallen,
die niet identisch zijn, op dezelfde wijze behandelt. Om met een eenvoudig voorbeeld
onze bedoeling te verduidelijken, wijzen wij op het lot, dat sommige bijwoorden
hebben ondergaan. Van oudsher waren er vele genitieven van substantieven,
adjectieven, en andere woorden, die de functie van bijwoorden vervulden; deze
genitieven eindigden voor een goed deel, naar den eisch hunner verbuiging, op
s
.
Zonder nu te bedenken, dat alleen zulke sterke genitieven van het mnl. of onz.
geslacht recht hadden op deze
s
, begon men het er langzamerhand voor te houden,
dat die slotletter een eigenaardig kenmerk der bijwoorden als zoodanig was en zette
haar ook achter woorden en uitdrukkingen als
dikwijls
,
intijds
,
vanouds
enz. De
overeenkomst in functie had de verschilpunten doen voorbijzien.
Op gelijksoortige wijze nu moet het ook met de door ons behandelde volzinnen
zijn gegaan. In de 16
e
eeuw hoorde en las men naast elkander:
a
. Ik heb dat niet gedaan, het en heeft mij berouwd.
b
. Ik heb dat niet gedaan, of het en heeft mij berouwd.
En mede:
a'
Het leed niet lang, de bende en bevond zich vlak achter hen. Nu
redeneerde men
a:a' = b:x
en daarin was
x
natuurlijk: Het leed niet lang, of de bende en bevond zich vlak achter
hen. Men vergat daarbij echter, dat ook hier
a
en
a'
wel punten van overeenkomst
hadden, maar daarom nog niet identisch waren. De punten van overeenkomst
bestonden hierin, dat men in beide gevallen te doen had met twee volzinnen, die
te zamen ééne gedachte vormden, doch niet door een voegwoord waren verbonden,
terwijl de eerste ontkennend was en de tweede het woordje
en
bevatte. Maar men
zag het groote verschil in den aard der betrekking tusschen beide leden over het
hoofd: die tusschen de deelen van
a
kon doen denken aan een
Taal en Letteren. Jaargang 2
Comentários a estes Manuais