314
Bij vroeger is er nu wel 't een en ander, natuurlijk, veranderd. Maar over 't geheel
is 't brokwerk, pleister op de oude muur; een enkele maar bouwde een gedeeltetje
geheel nieuw op.
Nu was allang mijn plan om zoo nu en dan, enkele onderdeelen van de spraakleer
na te gaan, die, naar mij dunkt, wel eens van nabij mochten bekeken.
Op die manier hoop ik ook wat te doen, van mijn kant, voor ‘de nederlandsche
spraakkunst, dat stiefkind onzer germanisten’
1)
.
En in een vraag, die men ons deed
2)
, vind ik dit keer een goede aanleiding om
eens wat te zeggen over de Woordvorming.
Zoo goed als alleen heeft men 't daarbij over onze schrijftaal. Niet over de taal,
die leeft, als een enkele maal terloops, en dan meestal als monstrum aangevoerd.
Dan gaat men bijna altijd uit van wat vroeger algemeen, nu nog maar bij enkele
woorden beteekenis heeft; die derhalve uitzonderingen zijn als men ze stelt tegenover
de vele andere, waar hetzelfde, als 't voorkomt, van geen beteekenis meer is
3)
.
En dit laatste heet dan geregeld foutief.
Maar erger is nog: men vat woordvorming als wat aparts op naast de flectie,
zonder zich om 't innig verband te bekommeren; men wijst
1) Cosijn,
Taal en Letteren
, II, 238.
2)
Taal en Letteren
, II, 128:
‘In verschillende grammatica's leest men dat de causatieven van den Verl. Tijd
Enkelv. of van den Teg. Tijd komen: dit begrijp ik niet, hoe een vorm
die Verl. Tijd
of Teg. Tijd beteekent een afleidsel leveren kan
,
dat het doen plaats hebben der
werking beteekent
. Mij schijnt dit ongerijmd en ik kan niet anders denken of de
geleerden bedoelen het ietwat anders dan de schoolgrammatica's het oververtellen.’
Vgl. de hollandsche spraakkunsten van Cosijn-te Winkel
7
, § 397. - Kaakebeen, bladzijde 149.
- Kat
2
, § 221. - Jacobs-Koenen, Spraakleer, § 757, 758. Die allen noemen ze echter afgeleid
van den stam van die tijden. - De Groot
3
, blz. 189, die evenmin als Terwey
a
, § 308, blz.
139 van afleiding spreekt van den stam van den tegenwoordigen tijd. - Van Helten
5
,
§ 332, die ze van substantieven afleidt.
3) Dit doet men bij onze heele nederlandsche spraakleer nog zoo wat geregeld. Zie b.v. maar
Boswijk in Noord en Zuid, XV, 110, over de
naamvallen
. Uit archaïsmen als ‘in koelen bloed
e
’,
‘ter hart
e
’, etc. haalt hij voor onze fin-de-siècle-taal het bewijs dat er nog een datiefvorm
bestaat; waarom distilleert hij niet uit ‘
hoe
’ en ‘des-
te
-meer het bestaan van een instrumentaal?
Of hebben tien archaïsmen van éen soort meer recht dan éen van een ander, om levend te
heeten? Of gaat hij met het repristineeren der Spraakleer niet verder terug dan tot het
middelnederlandsch?
En zoo bij de geslachten. En bij het adjectief met zijn sterk en zwak. En bij de verba. En in
den syntaxis, vooral. Maar, waar niet?
Taal en Letteren. Jaargang 2
Comentários a estes Manuais