
Taal en Letteren. Jaargang 2bronTaal en Letteren. Jaargang 2. W.E.J. Tjeenk Willink, Zwolle 1892Zie voor verantwoording: http://www.dbnl.org/tekst/_ta
93H (de letter -)344haar, 'r, d'r, bezitt. vnw.: om den genitiefuit te drukken223haar op de tanden hebben223hachjen341-hand en -lei + soort
53toelichting het eerst willen geven, doch voor het overige achten wij deze orde vanbehandeling den rechten weg naar het doel. Men ziet duidelijk, dat
54Van etymologieën die op de examens in trek zijn zegge men kort engoedwat ervan is; men wachte zich de oplossing der moeielijkste vragen den leek voo
55der onderschikking inofveranderd kan worden? Bladz. 23 doet ons vragen: iserinnerenvaninnen?Zal men niet aan willekeur bij Potgieter denken, als men
56met het oog op het examen, ter wille van den studeerende, nieuwe beschouwingen,gelijk wij ze pag. 22 (vgl. 56), 48 (over eigenlijke en oneigenlijke
57oefening nà de paraphrase opgevat. Doch dit nu daargelaten, overtreffen dezeopgaven de beoordeelde verzamelingenExamenwerkop menige bladzijde in geh
58‘koets’ = bed: hoe in verband te brengen met de gewone beteekenis van ‘koets’(116); afleiding van ‘heulsap’; van ‘straks’ (119); de grammatische fig
59de afzonderlijke, geannoteerde uitgave bezorgd, die wij hier wenschen te bespreken.De tijden, waarin men letterkundige werken uit vroeger eeuwen lie
60klap, l.klop;blz. 17So sollen, l.Se sollen;blz. 18verstand, l.verstaen;blz. 19pleeeh, l.pleech;blz. 21kreecher een, l.kreecher wel een;blz. 22'
61Met één verklaring, door mij gegeven, kan de heer Kuipers zich niet vereenigen. Bijde regels: ‘Seven dagen in de weeck schaft hij water en bry, en d
62luidt: ‘Een spreekwoord’. Maar de beteekenis? -Een,twee,drie treetgens in eensaciertgen,'t vierde op de cant. De heer Kuipers neemt de verklari
306infinitief198-199infinitief (Constructie m.d. -).198-199infinitief als voorwerp198-199infinitief als bepaling v. gesteldh.Taal en Letteren. Jaargan
63Kleine meedeelingen over boekwerken.Weldra verschijnt te Gent bij de firma Clemm (H. Engelcke) een paralleluitgave, vande 15deeeuwsche moraliteitElc
64bij ‘aus’, en dit begint met: ‘-wärts, nach oben (etc.)’, terwijl het bij ‘auf’ gedrukteverhuizen moet naar ‘aus’. Ook was een friesche ruiter wel e
plaatsje verdiend) en munt uit door helderheid en bondigheid. Een verbeterde drukzou derhalve niet ongewenscht zijn.Waarschijnlijk komen wij nog nader
65Over vergelijkingen en beknopte zinnen.Welke naam moet in de leer van den zin worden gegeven aan het gespatieerde indeze voorbeelden:Een kerelals ee
66als een gek zich gedraagt,als men eene zuster bemint,als eene mug om de kaarsdraait.2o. In de tweede plaats komen die gevallen, waarin wel niet hetz
67kan men naast:Ik bemin haar als eene zuster, zeggen:Ik bemin haar,als men eenezuster bemint, de eerste zin is volstrekt niet uit den tweeden ontstaa
68Indiendanop deze wijze vergelijkend voegwoord geworden is, mag men dezindeelendan hij,dan ik, evenmin als de metalsbehandelde, onvolledige zinnennoe
69Bezien we thans de doorgelijkingeleide zindeelen.Gelijkheeft zich ook reeds in 't Mnl. tot voegwoord ontwikkeld en wel uit debeteekenis, die he
70worden:in de hoedanigheid van. In het Woordenboek1)wordtalsin het laatste gevalvoegwoord van hoedanigheid genoemd ter onderscheiding van hetvergelij
71J. ter Gouw schrijft dan ook in den laatsten zin ondeugende (Volksvermakenbl. 41). Doch in dit geval heeft de taalkundige onzes inziens het recht,ov
XI301infinitief (Ontleding van zinnen met een-)199infinitief en verbaal substantief278-281infinitiefbepaling361intensieven: vorming347intensieven: nie
72Hoe viel een nacht zoo zwart op Nederland na dagen,Als sinds de Aposteleeuw geen latere eeuwen zagen. (Da Costa.)Eer brengt een arme vader met vreug
73Hij vergelijkt o.a. deze zinnen:a.Ik durf den grooten hond niet aan.b.Ik durf een grooten hond niet aan.c.Ik durf dien grooten hond wel aan.Wil men
74dat de ‘beknopte zinnen’ nooit zinnen geweest zijn; integendeel, het zijn òfpraedicatieve bijvoeglijke bepalingen òf infinitief bepalingen1), die, d
751o. Zoolang het tweede lid eener vergelijking niet met behulp van een persoonsvormwordt uitgedrukt, moet het als een gewoon zindeel beschouwd worden
76Over de zoogenaamde bijzinnen metof, die met een' ontkennendenhoofdzin in verband staan.Eene eigenaardige constructie hebben in onze taal die s
77De beschouwing dezer volzinnen geeft aanleiding tot twee vragen, die min of meermet elkander in verband staan:1o. Is het voegwoordof, dat de samenst
78verschillenden aard zijn. Om dit duidelijk te maken, willen wij van een voorbeeld uitelke groep telkens het tweede lid vervangen door een' ontk
79hulpmiddelen bezat, om de syntactische verhouding tusschen de deelen van een'samengestelden zin nauwkeurig aan te duiden. Bovendien, gaan wij d
80de gelijktijdigheid der beide handelingen uit te drukken. Op dezelfde wijze gebruiktmen ook in het Fransch het voegwoordque, bijv..:Nous n'avio
81Godt en can dat vleesche niet gesondighen, dat herte ende den wille moet eerstgesondicht hebben,ib.244. Noyt meester soo goet, hy was eerst klerck,R
260klissen (Bij de -)262knevelen102koppelteeken228kruid = poeder371kussen (Op 't -)227, 369kwant (quant): XVIIeeeuwsch.125kwartieren: XVIIeeeuwsc
82In den loop der 17eeeuw begon men nu algemeen aan de constructie metofdochzonderende voorkeur te geven. Hooft deed dit o.a. met bewustheid: in zijne
83de man er niet’. En een weinig verder: ‘Het is klaar, dat indien men dit of wel gekenden wel onderscheiden had, de ontkenning niet uitgeworpen zou z
84De lezer zal zeker met ons voor deze beide groepen de voorkeur geven aan delaatste wijze van vervanging, ofschoon hij tevens opmerken zal, dat de sp
85Wij hebben dus na te gaan, of er ook nog andere gegevens zijn, die ons nader bijde oplossing van het vraagstuk kunnen brengen. Daartoe vestigen wij
86Staat het nu vast, dat in den tijd, toen het gebruik van het voegwoordoftusschende beide leden van de bedoelde volzinnen opkwam, het tweede lid niet
87van een woord met eene bepaalde beteekenis invoert, zal dat alleen doen, wanneerhij het voor eene duidelijke uitdrukking zijner gedachten noodzakeli
88geene andere plaatsen kunnen aanhalen, dan zulke, waarinof envoorkomt enwaarbij dus althans nog een zweem van mogelijkheid zou bestaan, dat menofals
89alternatief; die tusschen de deelen vana'niet. Terwijl dus de bestanddeelen vanazeer goed doorofkonden vereenigd worden, geschiedde dit bij die
90oder er ist aus der stadt.1)Ook hier is men stellig van volzinnen als de beide eersteuitgegaan, om ten slotte het voegwoordoderook te gebruiken in v
91tegenstellendofverbonden, doch dat dit voegwoord bij de tegenwoordige sprekersin dergelijke zinnen eigenlijk nergens precies in zijne gewone beteeke
336-man: bijna-suffix336man: van schepen367mastik97medeklinkers (Slot -)95-97medeklinkers (verscherping der -)93-95medeklinkers (verdeeling der -) in
92Opmerkingen over de Nederlandsche klankleer in boeken, die voorhet onderwijs bestemd zijn.Bij het inzien der spraakkunsten, die nu ten tijde aan ver
93welke zulk een eigenaardig kenmerk der hedendaagsche taalwetenschap is, aande school ten goede is gekomen. Het is hierop, dat ik thans de aandacht w
94Deris tongletter. Het ware wenschelijk hierbij op te merken, dat derzeker voor dehelft der Nederlanders een keelletter is.Op de verdeeling naar de s
95die, welke men in den regel dentale spiranten noemt, is het toch niet minder waar,datsenzspiranten zijn en dentalen; daar nu de spirantenthen δ in &
96voor de verzachting vans, na aan dien regel de noodige uitbreiding gegeven tehebben, bestaande in de opmerking, dat in echt Nederlandsche woorden de
97jena den gutturalen neusklank een gutturaal ontploffingsgeluid wordt ingelascht,zóó na een dentalen neusklank een dentaal ontploffingsgeluid, na den
98Uitspraak der klinkers.De meeste boeken leeren nog steeds: de klinkers hebben drieërlei uitspraak, t.w.volkomen, onvolkomen, gerekt. Het wordt tijd,
99moet gehoord worden, wat naar twee klanken zweemt. Dan worden ongeveereenstemmig als tweeklanken opgegeven:ai,ei,ij,ui,au,ou,aai,ooi,oei,aau,eeu,ieu
100slechts éénen klank verneemt1)- Dit is het eenige mogelijke antwoord. Maar danmoeten ookei,ij,ui,au,ouvoortaan als enkelvoudige klinkers erkend wor
101het verleden deelwoord te vinden. De verklaring van dit verschijnsel late menachterwege; zij is werkelijk boven het bevattingsvermogen van leerling
XII229mee: voor me, pronomen269meesmuilen266mengelmoes228mennistenzusje336-mensch: bijna-suffix272, 318-319met zijn beiden, z'n achten297modaal b
102zijn natuurlijk die, waarin de hoofdbeteekenis opgesloten ligt;1)van daar dat, zooalsbekend is, de hoofdtoon - want die is het toch welke bedoeld w
103Woordverklaringen.Oom Kool.Het gelderschhij is om kôlbeantwoordt aan het hollandschhij is er om koud.Ongetwijfeld stelt zich daarbij een gelderschm
104citaten1)bewezen hoe de opvatting ‘die een mal figuur maakt door te vallen’, nietde oudste beteekenis was van:Oom Kool, dat deze dus geen Geldersch
105veel opgang gemaakt en is de uitdrukking ‘Daar ligt Oom Kool’ voor zoover Dr.Bisschop bekend is, eerst na dien tijd in gebruik gekomen.Dit laatste
106‘Maar’, zal licht iemand zeggen, ‘als ik een aantal boeken heb, en ik rangschik zeen neem die vier, die vooraan liggen, dan kan ik mij voorstellen,
107‘Insonderheyt ast jou niet en cost, dan sel jet niet sparen.Wat gelt jou de waghen-huir, as ghy mee vaert?’De beteekenis is dus: het kost je immers
108Boekaankondiging.Studieboeken voor de hoofdakte.III.6.Examenstudiën. Eene handreiking op 't gebied van taal- enletterkunde,door M.J. Koenen. 1
109Over het eigenlijke Letterkundige oordeelen wij thans niet, daar wij een afzonderlijkverslag geven van litterarische studiewerken. Wel wijzen wij a
110In 103-105 presenteert zich Schaepman met een vijftiental regels uitAya Sofia:zakelijke aanteekeningen, uiteenzetting van den inhoud en een oefenin
111vordert reeds zulk een jammerlijke krachtsverspilling. Reeds is het een slag in hetaangezicht jegens die Oude Wijsheid:non multa. Wezenlijkgedijen
80, 81Of: de constructie in de XVeen XVIeeeuw82Of: de constructie i.d. XVIIeeeuw82-83Of: verklaring van Bilderdijk en hetWoordenboek83of: verklaring v
112In vraag 4, bladz. 76 had moeten zijnmeegedeeld, dat De Génestet overkinderpoëzie heeft gehandeld. De aanhaling (78) van Hildebrands opstel overHum
113althans), zoo het examen voor de hoofdakte metterdaad op zooveel rijperen leeftijden zooveel jaren studie langer rekent (althansmoetrekenen), dan z
114zie den schoorsteen rooken’, die wederom baseert op de verkeerde meening, datzulk een zin eigenlijk Latijnsch is en - geen ‘zuiver Nederlandsch’.Wa
11511.Korte Aanteekeningen bij vele woorden,door D. Laméris. 1883.1)(f0.80.)DeKorte(etymol.)Aanteekeningenonthouden zich over 't algemeen van noo
116Nieuw-Nederlandsch.2. C. Huygens' Zede-printen, vermeerderd met de tot dusveronuitgegeven print van ‘een professor’ en van inleiding enaanteek
117wij, dat aan Huygens hooghartigheid of, wil men, pedanterie was verweten (vs. 30,65), en vooral de zucht om de geheime gebreken van anderen te besp
118hem de ziel zijn van het Engelsch gezantschap, waarbij hij vervolgens secretariswas. Zes en twintig jaar oud werd hij op last van Koning Jacobus en
119‘een bedelaer’ vs. 7, in ‘een rijcke vrijster’ vs. 6 vlg. aan den invloed van Donne toe;maar voor zoo onkiesch kan ik Huygens niet houden, om de gi
120zin luiden: ‘ad malis (datief in plaats van den ablatief meta) horrorem tam horribilemaestimandum’, wat wij nu zouden overbrengen in deze woorden:
121In ‘een bedelaer’ eischtlier, vs. 22, voor een deel onzer landgenooten ten minste,wel de verklarende toevoeging: = draaiorgel, terwijl daar in vs.
67onvolledig en onvolkomen, in degrammatica103-105Oom Kool221oorzakelijk voorw., bij wachten219ootmoed en deemoedTaal en Letteren. Jaargang 2
122Een steen, heet allectorius.Nadat hi dien ontfaet aldus,En drinct hi nemmermeer daernaer;Dus weetment, of hine hevet overwaer.In der steene boec hi
1231625:buytvoorbruydop te geven. Het rijke rijm behoeft ons nog niet aan eenedrukfout te doen denken, te minder omdat het woordbruydop zichzelf wel e
124Vs. 50: ‘Daer 't soo dier slapen is en 't hoofd soo goe'koop draeyt’, zou ik liever nietvertalen met ‘waar men zoo moeielijk slapen
125‘Daer oeffen ick mijn' Jeughd op 't noodigh kennip-quijlenEn 't ruggelingh gespin; die reckt haer spinsel uytTot daer het licht en d
126maar deoester-maand, daaroest-er(oogstmaand) enoesterin zijne gedachte bijelkaar passen; kastanjes passen ook bijoestmaand, maar het woord rijmt er
127men bedenkt, aan wien deOtia, waarin de Printen voor het eerst verschenen, werdenopgedragen. Het weinig vleiend portret, dat Huygens van den profes
128Vragen.*)1. In verschillende grammatica's leest men dat de causatieven van den Verl. TijdEnkelv. of van den Teg. Tijd komen: dit begrijp ik ni
129Wat is romantiek?Het korte opstel, dat ter beantwoording van deze vraag strekt, bevat niet degeschiedenis van het woord en zijne toepassing, noch d
130lijk zacht en ernstig; daar was iets dieps en dwepends in zijn blik, en de glimlachom den vriendelijken mond temperde een trek van smart en bitterh
131zijn: van gelukkig zijn en smachten; van kalme rust en stillen vrede en - denrusteloozen arbeid en strijd in de samenleving; van tedere individueel
XIII222opdokken190ophemelen229opperman: operman375oranje-blanje369Paai238palatalen in 't Nederlandsch275pas (- geven)268passedijsje: gèèn dans165
132schappij gaan vormen. Er zullen eenmaal geen wilgen en beekjes, geen open plekjesaan den ingang van wouden genoeg zijn; men zal elkander in den weg
133aan konden nemen. HetRomantismewas inderdaad... dejeugd, die op eens alhaar groeikracht ging ten tooi spreiden, die met kwistige weelderigheid op e
134zich sterk Katholieke neigingen; men hnldigde er Theocratie en Monarchie. Hierwas het eene reactie tot het niterste tegen pedantheid, blinde godsdi
135aan geniale oorspronkelijkheid. Er is heerlijke waarheid, wonderbare diepte; dezeldzaamste geesteskrachten zijn er werkzaam; er heerscht een allesv
136wilde niet het oog boeien; door zijn poëzie wilde het hetoorstreelen; niet dephantazie wilde het in beweging brengen en verbazen; het wilde het gem
137de vlag strijken voor de vaan der Renaissancemannen en het genie van hetKlassicisme. Doch de tweespalt was van te ernstigen aard en ging te diep. W
138inhoud dermiddeleeuwsche romans, reeds vroeg den zin vanavontuurlijkaangenomen. Zoo besluiten wij met de beteekenis van den term in het dagelijksch
139heel anderen aard, dan het subject uitdrukt. Hebben wij daarentegen de zinnen:Dewalvisch is een zoogdier. Een korf is eene woning voor de bijen, da
140werp en wat het gezegde is, dan moeten wij het antwoord zoeken op deze vragen:wien of wat betreft de mededeeling? Wat is datgene, wat onze kennis m
141spraak. Dat A. hem dien inhoud gaat mededeelen, drukt deze uit door het woordwas;de inhoud zelf ligt opgesloten in de woorden:Wij zouden om vier uu
228pronk: als adjectief258pronomen (Overeenstemming van 't -)21pronomen Gij als substantief251priulen: bij Vondel196, 380punctuatie94R (de letter
142Dit is beproefd door L.A. te Winkel (TaalgidsVIII, 66 vgg.),1)die de acht tijden in viertegenwoordige en vier verledene verdeelde. Bij de tegenwoor
143Ik wil nu trachten een systeem te ontwikkelen, dat voor den tegenwoordigen toestandvan zaken aan den eisch voldoet. Ik hoop dat ik mij daarbij niet
144wijs aantreffen in de zinnen: ‘Hij zouom tien uur uit Rotterdamgaanen zal dus nuwel hier wezen’ en ‘Hij zouden brief voor het eind der vorige week
145C. UITGANGSPUNT:Een oogenblik in 't toekomstige.III.I.II.De handeling ligt tenopzichte van hetDe handeling wordt tenopzichte van hetDe handeli
146b. Ik beloof u, u dezerdagen te zullenb. Mijn zoon heeft mijbeloofd, dat hij u in deb. Ik moet noodig aan hetwerk, want ik ben tenmededeelen, na ho
147Wij zien, dat het aantal vormen waarover wij kunnen beschikken om verschillendetijdsbetrekkingen aan te duiden, niet bijzonder groot is. De vormen
148schoone, kunstige geheel, om echter dadelijk te bedenken, dat er van schendengeene sprake kan zijn, waar de hand zich in dienst der wetenschap stel
149voortbrengselen op te diepen, te registreeren en toe te lichten, hij zal nooit weten,hoe heerlijk verkwikkend de vruchten zijn, die dagelijks door
150Ik ben wel een weinig bezorgd, dat sommigen, die met eenigen goeden wil aan ditopstel begonnen, bij 't zien van dit versje er reeds meer dan h
151vreemd bevel en dus met een onbewogen gemoed. Doch wie goed toeluistert merktallicht aan den overdreven toastenstijl, dat jubel- nog klaagtonen ech
VIIRegister.(Taalkunde.)190Aakelijk: Friesch202aaloud384aangenaam: plaats uit 1754384aannemelijk371aapje: bij Potgieter360ablaut en vervoeging358ablau
324samenstelling die geen samenstellingmeer is329samenstelling (Werk. v. 't rythme in -)Taal en Letteren. Jaargang 2
152Het voorgaande kan het ons leeren.De indruk, dien eenig kunstwerk op ons maakt, is afhankelijk èn van 't geen hetons onmiddellijk geeft, èn va
153grepen geluk geboren wordt. Kus de hand, die u slaat, zij druipt van hoogeren zegen.Is ook hier de sympathie van allen gebleven? Ik vrees van neen,
154geslacht? Welke liefde en bewondering kan het koesteren voor hem, die geenergeren vijand kende dan den tijdgeest, waarmede het is doorzult?Zij, die
155zijne zorgen en bekommernissen te kunnen uitstorten in het hart van iemand,machtiger dan hijzelf. Of die bestaat? Bewezen is niets en kan niets wor
156gemoed valt tenminste voor een oogenblik een straal van het goddelijk licht, waarbijde geloovige een voor ons anderen onzichtbare wereld van liefde
157bij kunst zoo dikwijls van inhoud en vorm als van twee op zich zelf staande, goedgescheiden begrippen. En toch is niets minder juist dan dat. Een k
158Gehuld in 't kleed- kleine rust -Van ziekte en leed- nieuwe stilte -Trad in eengodgeliefde woning- na deze eenigszins krachtiger beweging opni
159Weleer! (Wachter, wat is er van den Nacht?)daar, twintig eeuwen laterVerhief de Saraceen met dweepend krijgsgeschaterzijn wapens, - - - -En nu - di
160standen en klassen, en ten spijt van de roodste onder de roode auteurs, die hethoogste gaarne omlaag halen, zonder toch het lage omhoog te brengen,
161maakte opmerkingen te doen inzien, dan dit: knutsel zelf een' regel terecht en leesbijv.: ‘Is God dan doof voor mijn gebeden’ of wat gij maar
XIV319, 320, 330samenstellingen als spring in 't veld,doeniet320-321samenstelling met verbogen enonverbogen adj.326samenstelling met werkwoordeli
162Nog krachtiger spreekt mogelijk de slotregel van BilderdijksUitvaart, dat geheel vandenzelfden geest doortrokken is en trots de haast gezochte en v
163altijd de hoofdzaak - krijgen die luchtige anapästen iets zoo opwekkends, vroolijksbijna, dat elke gedachte aan somberheid verdwijnt: Wie door deze
164Schertsenderwijs aangewende eigennamen.Het is een zeer eigenaardige studie om de wijzen na te gaan, waarop zich de spotlustbij het volk openbaart.
165beduidend voor den volksgeest; en het gaat met die namen als met zekere termenuit den gewonen woordenschat, welke langzaam verloren gaan onder de c
166wijze gekenmerkt, zoo is het deHeilige Familie; een diarrhee noemt men met eenwoordenspelvollen aflaat, en voor de tien vingers bestaat de komische
167Vele bestaan uit een wortelwoord met een uitgang.Een gierigaard zal men aldus in VlaanderenGevaertheeten, waarbij niet zeldengevoegd wordt:Gevaerti
168Zonderling ook is de eigennaam welken men aanwendt, wanneer een huwbare meidbeweert dat ze niet zal trouwen. Ja, zegt het volk, ‘wacht totJan van P
169na Kuilenburg spelen’. Daardoor meent hij nl. ontvluchten naar de vrijplaatsKuilenburg.Een fictief liedje is dat vermeld in de uitdrukking, door Br
170De Brune laat een man die op zulke plaatsen te huis behoort, in zijnBoec derAmoreusheytzeggen:Plomp sonder arch mijn Heeren,Dats mijnen name wildij
171In hetzelfde stuk laat hij zoo een man ‘varen opCape de Grijps’ (vs. 28). Deze kaapstaat, zooals Harrebomée te recht opmerkt, alleen op de kaart de
255sik = zich221sinxennacht366slaan (Een schaats -)352slecht, als substantief210slordervos374sluierkroon377sluik: als adjectief221sluik (Ter -)271smal
172zooals men ziet, een groote plaats. Van zijn hart op te halen, houdt de mensch veel,zelfs al ‘woont men in denPenninckhoeck.’ Reeds De Brune noemt
173in Vlaanderen: ‘men heeft vanLoopegem’. Wie niet veel spreekt, komt uitStumsdorf,een plaats bij Halle a.S., en wie arm is, ‘geht nachStrassburgauf
174daarop berusten al de hooger bijeengebrachte feiten, neemt in de beschaving onzervoorvaderen een zeer gewichtige plaats in.Op die wijze geschiedde
175Het is nu een opmerkelijk feit, welk ons een diepen blik laat slaan in het bewogenleven der middeleeuwen, dat de verzonnen heiligen slechts betrekk
176S. BoudinofS. Cochonviert men, bij den maaltijd die gewoonlijk wordt gegeven tergelegenheid van het slachten van het vet zwijn.Een gulzigaard is ee
177den schat die te Kriekeput begraven ligt. Doch de leeuw kent den loozen gast, envreest dat Kriekeput een ‘geveinsde name’ zou zijn. Neen, Koning, a
178Voor den vreemde kon men deze uitdrukkingen zonder moeite vermenigvuldigen;de gegeven voorbeelden zijn echter tot ons doel voldoende. Nog wil ik ve
179eeuwen. Fischart, een zeer rijke bron voor de studie van het komische, zegt o.a. inzijnBinenkorb(200):zur zeit,da die bach branten und mit stroh le
180een historische kleur hebben, als een ingebeeld land schijnt te moeten opgevatworden1).Tot hetzelfde gebied behoort het ‘Engeland’ dat in Nederland
181laat gevormd heeft naar de verzinselen der volkspoëten in vroeger eeuw in denaard van denFinkenritter. Waren dergelijke sprookjes reeds vroeger bij
165stokkenbrood165stockvis met vuystloock335straatarm318stuk: een stuk of tien etcTaal en Letteren. Jaargang 2
182Boekaankondiging.Nieuw-Nederlandsch.3. Hooft's Nederlandsche Historiën. Nederlandsche Klassieken, uitg.en met aant. voorzien door Dr. Eelcoo V
183Gemakkelijk was die taak zeker niet, omdat Hooft's taal en stijl zoovele eigenaardigemoeielijkheden opleveren van zeer onderscheiden aard. Om
184kunstig in elkaar gewerkt worden en een harmonisch geheel vormen. Vóór allesmoest er gestreefd worden naar beknoptheid van uitdrukking - het woordb
185cap. 2 en 3. Dr. Stoett, die dat opmerkt, noemt echterdrijven en dragenin reg. 34te onrechte de vertaling vanagere et ferre, daar het Latijn van Ta
186gesteld hebben.’ Hooft kan dus bovendien aan een ander woord voor ‘gevaar’ enwel bepaaldelijk aan ‘gevaar om zijn geld te verliezen’ gedacht hebben
187wien zooveel moeielijks of ongewoons voorkomt, vrij wat moet overgelaten wordenaan de scherpzinnigheid der lezers, omdat anders de commentaar gevaa
188In reg. 135 had er op gewezen kunnen worden, dattrotszuchtniets met de beteekenisvan onstrotste maken heeft, maar beteekent: de zucht om te trotsee
189Een paar maal echter schijnt mij de opvatting van Verwijs beter. Zoo bv. in reg. 318ontharnasde, waarbij Dr. Stoett denkt aan ‘eene regeering, die
190aan de verscheidenheid der werkwoordenboeten(herstellen) enboeten(vuuraanleggen), die VerwijsTaal- en LetterbodeI, bl. 24-34 trachtte te betoogen.
191enkelvoud is ingedrongen. Dat zal wel eene vergissing zijn. Ook in het meervoudhad het impf. in 't Mnl. natuurlijka.Deois aan het deelwoord on
XV107suffix en eigennaam335-337suffix-wording uit samenstelling.344suffix -lijk vormt genitieven344-350suffixen (Nog levende -).344-350suffixen (Nieuw
192In denSpaenschen Brabander(vs. 1766) lezen wij:‘Dat hy de Tafel sal brengen voor Mongseur Rokes en deur.’ Verwijs veranderdedit in zijn uitgave, en
193Hagar van Da Costa.Tekstverklaring1).God had Abraham voorzegd, dat hij worden zou, de stamvader van volken, talrijkals de sterren des hemels en als
194zal Hij geboren worden, die de aarde weder aan Gods voeten brengen zal. Hij zaleen spruit zijn van Israël. Daartoe heeft God zich Israël bewaard al
195Van vers 1-20 is het tooneel waarop Hagar verschijnt, beschreven als eene plek,grootsch in de geschiedenis: onze aandacht is geboeid.In vers 15-17
1967-8. Is ‘zoeken’ met voordacht gebruikt? - Da Costa zal de komma achtergezienwel niet zonder bedoeling hebben weggelaten;zich als etc. hebben wij o
197een zin als dezen: ‘ongetwijfeld heeft hij zich in zoodanige bewoordingen uitgedrukt,als nauwelijks aanleiding geven kunnen tot verkeerde vermoeden
198onzijdigpronomen met eenmeervoudigsubstantief. Toevallig is dit substantief óókonzijdig;zoo het manl. of vrouwl. was, kon er even goedwatstaan: wat
199benoemd. De benoeming nu is iets van later zorg. Het komt er op aan, dat meninzich-zelvenweet waar te nemen, wat men, terwijl men hoort zeggenHet p
200komen bij het substant. alsbijvoegl. bepal.: vgl.God vreezenmetde vreeze Gods(objectsgenitief).6-7.die lucht,die d'ademtochtDOET DERVEN aan wa
201Een woord nog omtrent de ontleding (de zin genomen als hij er staat). Het kàn aldus:die- onderw.,doet- gezegde,d'ademtocht- lijdend voorw. (d.
107teuta en lulla369't geen: voor dat166tien geboden = de vingers297tijd (De onbepaald tegenw. -)141-147tijden van 't Werkw. (Critiek v. Te
202die zin een voorzetselbepaling is voelen wij niet meer, en nu verbindtvoordateenvoudig den bijzin aan den hoofdzin en wijst denaardvan dat verband
203Uit de spelling.Fragmenten van een lezing.Ik heb geen plan een overzicht te geven van al de veranderingen, die de spellingvertoont sedert ± 1200. V
204tusschen diee's wordt gehoord. Er zijn echter dialecten, die nog thans met meer ofminder nauwkeurigheid de scherpe en zachtee's ondersche
205sprong dier klinkers, maar zich uitsluitend richtte naar het verschil in uitspraak, dathier en daar, vooral in het Zuiden nog werd gehoord. De sche
206Het is te betreuren dat deze methode niet algemeen werd gevolgd. Maar hetmeerendeel onzer auteurs sloot zich aan bij Vondel, die zich met klem verk
207Balthazar Huydecoper maakte ook wel verschil tusschen enkele en dubbelee's eno's in open lettergrepen, maar hij grondde dat verschil gehe
208In het Middelnederlandsch kende men het bewuste onderscheid in de schrijftaalniet. Toen het werd ingevoerd, uithoofde van verschil in de uitspraak,
209En wanneer de ervaring nu leert, dat wij toch nooit in de verzoeking komen eenschildwacht aan te zien voor een deurstijl, of een visch voor een pos
210weerleggen. De beroemdeJakob Grimmvindt in dat opzicht onze spelling... ookwel wat te geleerd’1).Toen ook door de Vries en te Winkel het ondersche
211Potgieters liedekens van Bontekoe.1)‘In 't Jaer ons Heeren 1618 den 28 December ben ik, Willem Ysbrantsz. Bontekoevan Hoorn, Tessel uitghevare
219veel100verbindingsklanken267vergastenTaal en Letteren. Jaargang 2
212de herinnering aan dezen voortreffelijken zeeman bij zijne tijdgenooten teverlevendigen. Hij deed dit echter op eene zeer eigenaardige wijze. Van d
213want myn raedt was ick dickwils ten enden, alsoock doe, viel daerom op myn kniejenneder, en badt de Heere, hem smeeckende, dewijl hy my tot hiertoe
214Intusschen ook die lijst is de moeite der beschouwing dubbel waard en nu wijeenmaal vrede hebben met de omstandigheid, dat naar de fransche woordsp
215leggen en sagh het werck eens over en seyd: o Godt! Hoe is dit schoone Schipvergaen, gelyck Sodoma en Gomorra.’Met de hulp van een' jonkman, d
216in een prauwtje de rivier op naar het dorp, ten einde levensmiddelen op te doen.Rijst en hoenders werden gekocht en naar de boot gezonden. Voor een
217geschilderd als geheel door het schitterende zonnelicht overdekt. Wegens de kleurwordt dat licht nu als een stroom van goud opgevat.vs. 2.heerscher
218vs. 26.schiften:de beschaduwde plekken scheidden zich door hare donkerder kleur(donkerblauw) af van de lichtere (vonklend goud).Schiften, intr. ‘zi
219vs. 54.zich grootsch verbreedde:‘zich trotsch uitbreidde, uitwoei.’ Vgl. Potgieter,Bronbeek:‘o Bronbeek, dat op 't groen tapeet... den witten
220der baren.Veilbet. eerstte koop(vandaar het ww.veilen, lett. ‘te koop hebben’) endaardoor: ‘verkrijgbaar, beschikbaar.’Hij heeft zijn' tijd,zi
221het noorden, den mensch aangenaam, weldadig aan, ofschoon er ooksneeuwvlokken schijnen neer te dalen. Maar dit zijn de bloesems van denBombax.Eigen
XVI66, 69-72vergelijking steeds = onvolledige zin?66, 68, 69, 70vergelijking (De -) een zindeel65-75vergelijkingen en beknopte zinnen65-67vergelijking
222Hooft, dat Egmond en Hoorne op Pinksteravond werden onthoofd. Vgl. ook het hd.sonnabend.Dit liedje herinnert aan het oude gebruik, om het passeeren
223vs. 8.prij, scheldnaam voor een wijf, eigenlijk ‘kreng.’vs. 12.jeukt. Neptunus gevoelt lust, met zijn' staf, den drietand, het scheepsvolkde o
224te zien vanadel;vandaar ook de spellingaêl, welke P. hier gebruikt. Vgl. Ledeganck,Aan Brugge:‘Laat andermaal u tooien in d' adelouden gloor.’
225bijgenotdan bijgenoegen. Gieren, zooals kinderen doen, die het uitkraaien vanplezier. De wilden zijn slechts groote kinderen.vs. 149.uitgeláten, pa
226vs. 188.'t geen, hier zeker gebruikt, omdatdatgevolgd zou worden door 't, watonmogelijk uit te spreken valt. Ook't welkzou hard klin
227nieuwen krans vervangen. Vgl. Potgieters schets over Huyghens'ScheepspraetinHet Rijksmuseum.vs. 10.op zijn duim fluiten. De vogelaar lokt den
228vanouds door grooten eenvoud in kleeding en leefwijze en door stemmige zedigheidvan gedrag. Dat zij hierom wel eens aanstoot leden en dat die uitwe
229vs. 52.trony. In zijnLeven van Bakhuizen van den Brinkzegt P., sprekende overdezes uiterlijk: ‘Hij bezat, wat kiest u? hij bezat waarheidsliefde, h
230Het proza van J.P. Heije.Het bevreemdde mij, toen ik den uitslag van het Spectator-plebisciet las, dat Dr.J.P. Heije niet eens voorkwam onder de di
231ijverde hij, als de stichter en de ziel van de ‘Vereeniging voor NederlandscheMuziekgeschiedenis’ voor de meerdere waardeering van ons voorgeslacht
106wagenhuur ('t Geldt je de -)305wanen (Constructies bij -)227want: bij Roemer Visscher227wanten (Van -) weten272waren91wassen neus (Een -)262wa
232gelegd, drukken met een kapitale beginletter, cursief, gespatieerd of geheel kapitaal1).Zulk proza kan men maar niet zoo voor zich zelven lezen; on
233Woordverklaring.Niets minder dan en niet het minst.Wanneer wij ironie en sarcasme buiten rekening laten, zal het zeker niet dikwijlsvoorkomen, dat
234Vraagt iemand: ‘zoo, is die man niet eerlijk?’ dan kan het antwoord luiden: ‘O neen!Ik geloof zelfs, dat hij niets minder dan eerlijk is’ (met nadr
235‘Als Grieksch dichter heeft deze auteurniet het minstuitgemunt.’Een goed stilist vermijdt natuurlijk alle dubbelzinnigheid: ‘Het een door het ander
236De klankleer op de school.Van alle dingen die uitnemend geschikt zijn om een mensch uit zijn humeur tebrengen, is er één, dat de kroon spant; nm. d
237dr. B. opgemerkte inconsequentie. Maar ik moet nog iets verder gaan dan mijnwelwillende beoordeelaar en op § 37,dwijzen, omdat deginbakboordook doo
238Het is geenszins mijn plan hier een verhandeling ten beste te geven over onzephonetiek. Ik had mij gevleid, dat de eenige man die bij mijn weten na
239ook in het veroordeelen der ‘landläufige’ grammatica. Datkoninkjetotkoning, alsMnl.koninctot Nnl.koningstaat, is waarlijk overbekend: het Nul. heef
aangeduid door 2 of meerverschillendeteekens, dan noemen zij die een tweeklank,oeeneuzoowel alsouenei, anders heet hij een enkelvoudige klinker. Wel e
240Wie schrijft: ‘dat er schadelijke waarheden bestaan, weet elk docent, die voor zijntaak berekend is,’ moet ook niet verlangen, dat men een leerling
320woordvorming en regeneratie346, 348, 349, 350-352woordenvorming (Nieuwe -)298woudezel228wulpTaal en Letteren. Jaargang 2
dat mijne bedoeling slechts was, er op te wijzen, dattjniet =t+jis, maar eenpalatale, zij het dan ook gemouilleerde klank.Ziehier, wat ik op prof. Cos
241Boekaankondiging.Middelnederlandsch.1. Die bouc van seden, een mndl. zedekundig leerdicht ... opnieuwuitgegeven en toegelicht door W.H.D. Suringar1
242Men merkt, aankloppen leert het ‘bouc’ niet.Nog een ander: min of meer gewijzigd, kent men:men sal ghegeven paert niet zienin den mont,maar ons ‘bo
243spreekwoord door hem is te pas gebracht; van welken greep de meeste moralisten,zoowel van vroeger als later tijden, zich bediend hebben. Hij leert
244tekst moet gehouden worden. En zelfs is de afschrijver zoo verre gegaan, dat hijhier en daar eenige verzen heeft ingelascht, waarvan althans in het
245theon-edities deden: op eigen houtje hun schrijver verbeteren. Wie staat er voor indat die minder juiste regels niet van den auteur zelve afkomstig
246een toonloos geworden voorvoegsel vĕe(r), met een nog wel als vě gehoordeuitspraak? - daventuere (289); veryan (293); yemene (312) enz.; doemen (45
247Bij vs. 371 mist men Verdam's conjectuur ‘sermoen’ (Wdbk., i.v. ghemeene). - Vs.374: In het Ned. Bibl. Arch. no. 2, wordt dit BvS. ook besprok
248Dit flinke, uitvoerige Glossarium besluit het boek; veel plaatsen zijn om te vergelijkengeregeld aangehaald; waar 't noodig scheen, is naar &a
249Kleine meedeelingen over boekwerken.De Gedichten van Constantijn Huygens,naar zijn Hss. uitgegeven doorDr. J.A. Worp. Eerste Deel. 1607 tot 1623. -
325, 334-335, 339, 342analogievorming325analogievorming (Onze grammatica keurt-) in beginsel af319, 343analogievorming moet niet geweerd88-89, 316, 35
XVII189Zamelpenningen300zetten = bepalen343zijn, bezitt. vnw.: om den genitief uit tedrukken343zijn (Voorbeelden van dit -)343zijn (Prof. Cosijn z&apo
250plaats is er, waar ik geloof een zeker spreekwoord omtrent Homerus te mogentoepassen. Ik bedoel vs. 454 van't Cost. M.(Worp, bl. 257), waar wi
Een inleiding tot Vondel,doorAlbert Verwey. - Amsterdam, 1892. W.Versluis. -f7.20. leAflevering.Voor eenige weken werd ik, en velen met mij, aangenaam
251voortestellen denheelenVondel, in zijn aard en ontwikkeling, zóo dat ieder, die ditboek gelezen heeft Vondel kent’, en daardoor misschien lust zou
Wat de spelling aangaat, die is voor het begrijpen van een dichter natuurlijk slechtsdaar van belang, waar zij dienstig is voor het vaststellen der be
252middel zich te vaak als iets zelfstandigs op den voorgrond dringt. Den Heer Verweyben ik dankbaar, dat hij - is het voor het eerst? - wil wijzen op
Biographisch woordenboek der Noorden Zuid-Nederlandsche letterkundedoorJ.G. Frederiks en F. Jos. van den Branden. Tweede, omgewerktedruk. - L.J. Veen,
253Constantyn Huijghens, wiens Journael na 1878 uitkwam, is thans opgenomen. Hetartikel over Blasius is wegens het in 1881 verschenen artikel van Dr.
zelven arbeidde, zonder zich geweld aan te doen; die een halve eeuw school ging,en school kòn gaan, zonder een schoolkind te worden. Er is in dit boek
254begaafde zich door het leven teleurgesteld gevoelde. Gaarne leest men van zijneerbied voorGeelenvan der Palm. Met Hoofdstuk IV en VI vooral zal deL
de arbeid van den Heer Meyer moge zijn, wat het tooneelwerk aangaat, het oordeelvan Mehler alles overtreft wat ooit over Langendijk in 't midden
115Boswijk en Walstra, Het Levende Woord180Cocagne (Land van -)366conservatisme (Pierson over -)366conservatisme en grammatica147-163, 193-202, 292-30
255Sprokkels.Van Lennep en Walter Scott.De lezers van Scott'sThe Bride of Lammermoorzullen zich herinneren, dat in dezenroman een profetisch rijm
256XVIIdeeeuw niet ongewoon. Te Meppel (naar ik meen ook in het aangrenzendeOverijselsche, te Staphorst en daar) leeft de uitdrukkingdesik, door het v
257Potgieters Liedekens van Bontekoe.AANTEEKENINGEN.1)(Vervolg.)vs. 203.Erinn'ring, zonder lidwoord, daar het als eigennaam wordt gebruikt. Vgl.D
258dichters gebruikt, omdat ze niet alledaagsch zijn.Pluiken, een bijvorm vanplukken,die ook meermalen bij Vondel voorkomt, bijv.Lucifer, vs. 2150:Ged
259omdat ze bestond in druk gestoei. Men lette hier en elders op de allitteratie, waarvanP. ook in dit gedicht hier en daar gebruik maakt.vs. 238.kwee
260vs. 12.bij de klissen:‘bij de kladden’, zou men ook kunnen zeggen, wantklisis eensyn. vankladofkladde. Beide zijn benamingen van eene plant, wier v
261vs. 23.hijlik, thans verouderde bijvorm vanhuwelijk. Het woord komt nog voor inden naam eener soort van koek:heiligmaker, door volksetymologie uith
262uit een' ketting, maar deze had geene kracht, wanneer men niet op het beslissendoogenblik de spreuk prevelde, die de waarzegster opgeeft;de kr
263vs. 253.de krijgsgodin:De Romeinen vereerden, naast den oorlogsgod Mars, ookdiens vrouw of dochter Bellona als krijgsgodin. In de 17eeeuw, toen onz
264vs. 7.holdebolder, gewoonlijkholderdebolder, eig. ‘ondersteboven’. Maar hier gingde wagen niet ondersteboven; hij nam slechts eene snelle wending,
XVIII157-163Gedicht (Een -) van Da Costa.158gedichten lezen (Verkeerd -)150-151gelegenheidsgedichten: ruimer opgevat193-202, 292-307Hagarv. Da Costa.1
265vs. 25-27. De Moffenheer was een likkebroêr en zijn neus, in overeenstemmingdaarmee, vurig-rood. Daarom laat P. het kille zeewater lust krijgen zic
266vs. 50. ‘Zoo zij zich met hem vermaakte, het met hem aanlegde, hem de gunstenvan een' minnaar schonk.’vs. 54.stevels:‘laarzen’, hd.stiefel.vs.
267bereiken, te grijpen: men tast naar iets in den blinde, in den donker; men tast in denzak, zonder soms iets te vinden, enz. Hier heeft het woord ee
268gebruikelijk. Eenekeurswas oudtijds een vrouwenopperkleed, japon. Vandaar:keurslijf, eig. ‘het lijf, bovendeel der japon’, later ‘corset’. Dat het
269met dobbelsteenen, waarbij men boven de tien oogen moest gooien. OokHildebrand gebruikt het in dezen zin, C.O. p. 295. Wij komen dus tot het beslui
270meenen, lag ditdieals logisch onderwerp in den geest van den dichter, toen hijden beknopten zin er bijvoegde. Zeker, ook dewiekenkonden smetteloos
271vs. 12.smalen:‘met onverdiende minachting spreken over iemands persoon,afkomst, betrekkingen, handelingen, werk, enz.’vs. 14.voor een aap, omdat de
272't zelfde. Wanneer zij het paartje maar bleef bespieden, dan mocht zij 't, door haretegenwoordigheid, desnoods kwellen.vs. 10.met zijn be
273gezeurhier op als ‘getalm’: Govert heeft er schik in, Klaertjen te plagen door heellangzaam Elze's schaatsen aan te binden. Ofschoon deze bete
274de ijsbaan doen’. Dat de bewegingen bij het schaatsenrijden wel eenigeovereenkomst hebben met die bij het dansen is duidelijk. Zoo zegt ook Bogaers
370korentje (Zijn -) groen eten58-62Costers Teeuwis de Boer308-310Kuiper, Karel en Elegast: beoordeeld58-62Kuipers, Costers klucht v. Teeuwis:veroorde
275van kinde grootluidt een bekende versregel in den bekenden rei van Hoofts Baetoen bij Heye:Wie door 't leven wil voeteeren, enz.vs. 105.lenen:
276vs. 152.tentatie:‘verzoeking’.vs. 154-155. Woorden, die rijmen, behooren bij elkander; zoo doen ook de zaken,die hier genoemd worden. Wie draalt me
277is nog op het plattelanddewinter, waarin vele zaken geregeld en afgedaan worden.Met Kerstmis betalen de boeren de pacht en tegen Vrouwendag verhure
278De praedicatieve bepaling.Onder de bepalingen in den enkelvoudigen volzin komen er voor, die niet een derattributen of bijbehoorende kenmerken noem
279tieve werkwoorden behoort, kan het, even goed als wanneer het in een volzin alsgezegde stond, ook weer één of meer voorwerpen bij zich hebben, terw
280voorwerpszinnen; wij krijgen dan:ik laat(d.i.laat toeofveroorzaak),dat de doktermijne pols voelt,dat de dokter mijne tong ziet.Die verkeerde bescho
281te verklaren, dan stuiten we bij deze uitdrukkingen op iets onlogisch, dat bijlaten,gevolgd door een nominatief, niet bestaat.Zooals uit de aangevo
282kamer, dus behoort hier dat werkwoordvegenmet het werkwoordmakenten opzichtevan het lijdend voorwerp met zijn praedicaatswoord in dezelfde rubriek.
283edel mensch te zijneen voorbeeld van een dergelijk verschijnsel. Andere voorbeeldenzijn:Mijn zak komt als besteld,om in te laden Dien 'k op uw
284als een stortval uit de wolken(ibid.), kan menoverschoten degrootsteappositiënbijEvaenverminktenverschroeidbepalingen van gesteldheid bijlijknoemen
241-248, 308-310Middelnederl374Mijnheer: naam van de Hollanders.Taal en Letteren. Jaargang 2
285Maar in het hachlijk uur,hier voor des Dichters oogen herroepen,is het stil. (DaCosta.)Claudine,onverschillig voor alles,sinds ze Frits had moeten
286lingen, die niet bij het onderwerp behooren. Eigenlijk zeggen ze dan iets andersdan ze bedoelen en kunnen we zulke uitdrukkingen niet anders noemen
287stelling eener oorzakelijke betrekking en worden gebruikt om causaal verband uitte drukken. Zoo wordtnueen redengevend voegwoord; zoo krijgtbijde b
288king voor als tijdelijke eigenschap; hetgezegd hebbenwordt dus hier voorgesteldals tijdelijke eigenschap van het onderwerphij;het wordt hier dus al
289andert aan de met haar eenigszins in tegenspraak zijnde koppeling in den zin. Wasde pas behandelde betrekkingvoorwaardelijk, deze istoegevend. Voor
290van dat voegwoord is wel eigenaardig. Wij hebben het alleen in bovengenoemdetwee betrekkingen; de Engelschen gebruiken bij praedicatieve bepalingen
291zelviging vinden we o.a. bij den vergelijkenden bijzin in voorbeelden als:Grootveldheer,als hij was,wist hij ook den slag te vermijden,als de overw
292Hagar van Da Costa.Tekstverklaring.(Vervolg.)21-38.In vers 1-20 heeft Da Costa met enkele forsche trekken het tooneel geteekend,waarop we ons thans
293Mamreworden Gen. XIII, 18 genoemd; Abraham woonde daar toenmaals; over dejuiste ligging van deze plek, bij Hebron, is geen zekerheid.Belofte(37) is
294schouwelijk. -Eerlangis ‘weldra’1). -Ontbrak:geeft dit eene andere voorstelling dan‘ontbreekt’? En staat dit ook in verband met hetgeen voorafgaat
XIX307moeielijke schrijvers lezen?263Mouringh: verkleinwoord381-383Muller en Logeman, De Proza-Reinaert:de editie beoordeeld167, 169, 169-173, 179-180
295deernis; zal haar hart opengaan voor dat krachtige, gebiedende, alle tegenspraakafsnijdendekeer!(32). Let op, welk eenklimaxer is in deze geheele p
296kunstenaar afwijkt en op geenerlei wijze op den Engel zinspeelt, moeten we dieonderstelling toch laten varen. Wel denkt hij aan de plaat, ziet hij
297in plaats van ‘bevat’, om de grootheid en de rijkdom dier beloften: de rijkdom enheerlijkheid van Abrahams woning komt hierdoor uit.38.Watis hier o
298in de woestijn Bar-Séba. - Dit hebben we noodig te weten, voor het begrijpen dezerderde strophe. Maar de nog volgende aanteekeningen van zakelijken
299lijke stad’; zoo spreken wij nog van ‘de stedelijke inkomsten’ en ‘het koninklijk paleis’.Maar ‘een koninklijk paleis’ kan iets anders beteeken: ‘a
300(49), daar hij zich naar achter geschoven gevoeld; die verontwaardiging wordtgramstorigheid ofwrevel;en hij wreekt zich inspot(50) over de oude Sar
301bep. van gesteldheid (als ‘gevolg van de werking’) en dus adverbiaal adjectief, bijde omschrijving: ‘als mensch’.43.die Abram etc.:de eenvoudigste
302zonde van zijn moeder:in de XVIIdeeeuw hadden ze hier gezegd:de moederlijkezonde, met ‘moederlijk’ als zuivere genitief vanmoeder; moeder- enmoeder
303vierde strophe getuigt daarvan: daarom is dit een anderDe moeder Ismaëls;ermoet verademing, goede verwachting, ontroerde blijdschap in zijn:D-e-m d
304een zoogenaamd ‘historisch praesens’: de dichter laat het verleden feit eensklapstegenwoordig worden, opdat we de woorden des Engels nu als zelf ho
232ridderroman (Herinnering a.d.-)?381-383Reynaert die Vos (Die Historie v.)363Romaansch en Latijn363-365roman (Geschied. van 't woord -)365roman
305in eere zal houden. Het is bekend hoe de echte Arabieren zich kenmerken door eennergens geëvenaarden familietrots; Da Costa zelf had dat ook. Gelij
306staan had: ‘wanen’ te zijn, voor ‘gewaand’ te zijn. Toch moeten wij grammatisch devoorkeur geven aangewaandhier. Immers, onder de werkwoorden die i
30772-74.Geen:onbepaald voornaamw. = niet eenig; maargeenin 73 en 74 heeft dekracht van het bijwoordniet, dat den geheelen zin ontkent: ‘maar het isni
308Boekaankondiging.Middelnederlandsch.2. Karel ende Elegast, opnieuw uitgegeven door E.T. Kuiper (akademischproefschrift). Amsterdam, van Kampen en Z
309van 3 hss. en van een 4e, dat als ‘vorlage’ van de rijnsche bewerking in Karl Meinetis te stellen; alleen neemt Bergsma aan datMenKnader met elkaar
310der historisch-letterkundige vragen met zekerheid beantwoord wordt, mag aan dezestudie den lof niet onthouden dat zij flink op de zaak ingaat. Alle
311Kleine meedeelingen over boekwerken.Parisismen(Parijsch argot),Supplement-fransch-nederlandschwoordenboek, naar Dr. C. Villatte, door H.W.F. BONTE.
Ook aan vakgeleerden kan een stelselmatig overzicht hunner wetenschap somtijdswelkom zijn, al was het slechts als memorandum’.En als eerste proeve is
312lijkt het erg geleerd; nu, dan mag men er wat meer op studeeren.Alleen; er had wel wat in kunnen gezegd over de consonanten, die Friezen in‘dood’ e
313Uit de spraakleer.Als er een nieuwe spraakleer van het nederlandsch uitkomt, of een herdruk van eenbestaande, wordt dit in kranten, en tijdschrifte
XX232spreekoefeningen383spreektaal (Tegenwoordige -) enMiddelnederl.: overeenkomst174stedennamen365stijl (Wat is -)?365stijl iets persoonl. en noodwen
314Bij vroeger is er nu wel 't een en ander, natuurlijk, veranderd. Maar over 't geheelis 't brokwerk, pleister op de oude muur; een en
315er nooit op, dat beiden in den grond één zijn; en men behandelt ze nooit zoo.Men miskent, zoo doende, het eigenlijk wezen van de taal.Het is alsof
316IWoordvorming.1. Elke keer, als men een woord gebruikt, d.i. denkt, of zegt, maakt men dit eigenlijkop nieuw. Vrijwel onbewust, doet men dit groote
317woorden nog al eens in het zelfde verband voor, dan vereenigen die beide zich vaaknauwer, dan met het overige gedeelte van de zinnen, dat natuurlij
318dan half op den weg naar de samenstelling. Evengoed als:nooit-niet,nooit-geen,nergens-geen,niets-geen;die koppelingen, die dienen om het begrip te
319met z'n hoevelen moeten jullie daar wezen? - het antwoord meestal is: met z'n beiën,z'n drieën, vijven, achten; - zoo, ga er maar li
320spreektaal geen verschil maakt tusschen ‘klink’ en ‘klinkt’ in den imperatief1): menhoort, uit den mond van beschaafden - niet in de volksdialecten
321en zoo doen wij nog; het werd een kenmerk van zulke samenstelling in 't algemeen.Een paar van die, maar nogwordende, samenstellingen meen ik t
3225. Men zal zeggen: hij schenkt alweer het water bezijën 't glas. - Maar ook: hijgiet het water weer 't glas bezijën langs. Dan staat de p
323werkwoordelijke samenstellingen zijn er dus met bijwoord-voorzetsels en bijwoorden1).Niet in alle zin - de taal bestaat niet uit losse woorden - ka
260tekstverklaring van Hooft250tekstverklaring van Huygens216-229, 257-277, 367-380v.Potgieter251tekstverklaring van Vondel366, 383Tijd (Onze -): een
324voor-goed afgescheiden heeft, kan het er op verschillende wijzen mee gaan.7. Zoo'n samenstelling wordt veel gebruikt, langzamerhand heeft men
325En deze soort is, evenals alle analogie-formatie, veel-en-veel talrijker1)dande nieuwe vormingen.Evenals bij enkelvoudige woorden, denkt men bij de
326Daarbij komt nog de invloed van onze syntaxiale constructie, dat men adjectivazonder uitgang bij 't substantief plaatst, waar ook samenstellin
327raal); stads-leven (locatief); tentoonstellings-gids (voor de tentoonst.);vrijheids-zin (voor de vrijheid), reddings-leger (om te redden); stersgew
328zwakken genitief enkelv. of meerv. die òf bewaard bleef (heerenknecht, hazenlip,menschenvrees, van het eertijds zwak verbogen haas), of tot -everba
329Alleen bij onzijdige woorden, die vaak in 't meervoud nog -ers, -ĕren hebben,wordt wel -er- ingevoegd. Vgl. echter rundvleesch, rundvee naast
330angst-kreet. - land-man [NB. lands-man]. - anker-touw. - ankersmid. -kikker-billetjes. - burger-juffrouw. - moeder-land. - zustervereeniging. -wint
331rood-huid. - wijs-neus. - plat-voet. - rood-borstje - kwikstaart. - neus-hoorn. -een-hoorn (unicornus). - duizend-poot. - drie-voet (etc.) - drie-h
332[vgl. Oostinje-vaarder]. - ambachts-man. - vermogens-belasting1). - scheids-man. -leids-man2).Is ‘loods’ afgekort uit lood-s-man? Vgl. puts(-emmer,
333ei [vgl. spreeuwe-ei]. - stad-huis: stads-huís. - rooverbende: rooversbende. -ambt-genoot, ambt-man: ambts-broeder, -regel [vgl. ambachtsman, ambte
XXI252Vondels drama's: Verwey's oordeeldaarover174Wapens (Sprekende -)370Wijntje en Trijntje167-169, 169-173woordspeling in de volkstaal173-
33423.Samenstellingen met -er- en -ere-.eier-vrouw: eiere-vrouw [vgl. groente-vrouw]. - kleer-koop: kleerekoop. -kalver-markt: kalvere-markt.24. Er ka
335Ook ‘snik-heet’, ‘snik-warm’ zoowel als ‘stik-heet’ en ‘stik-vol’ zijn in hun samenstellingnog doorzichtig genoeg; maar hoe is dit met ‘snik-verkou
336visch-gerei, naai-gerei, eet-gerei, schuur-gerei, schrijf-gerei, wasch-gerei, drink-gerei,jacht-gerei1).Ook -boel en -rommel marcheeren dien weg al
337In: ‘nee, jongelief, dat gaat híer zoo niet, je moet liever maar weggaan’, is ‘jongelief’vrij wel synoniem met ‘jongetje’; let maar op meisjelief,
338te voegen waren: steke-zot, puur-steke-zot, steke-vet, steke-vol. Waar zijn dezenaar gevormd?1)Nu voelen we nog nu en dan verband tusschen stok-doo
339suffix, wie spreekt er nog -lijk uit? 't Heeft zich afgezonderd van het substantieflijk1), dat ook in gewijzigde beteekenis ‘gestorven wezen’
340eig. mensche-leeftijd; en met Roelofsen, uit ‘Roelofsoon’, vgl. ook wimper,dat uit wenkbrauw is ontstaan1).Tot dit soort hooren ook de plaatsnamen
341en spreekt thans van breigeman (uit breigemman); in de steden van ‘bruggeman’,in het bekende liedje van: Koekuut ‖ De broek uut ‖ De rok an, ‖ Koku
342is - dit hier terloops - het kennen van de volksetymologie meest van meer waardedan het weten der wetenschappelijke etymologie.1)29. Het oorspronke
343Waar zou 't heen met onze tegenwoordige taal, wat bleef er van over; ja, van alletaal, in welke periode ook, als men de analogiën er eens alle
VIII226beslissen van14bestkoop.228beugel220bezweren339bier = bierfeest171bijstervelt283-284bijvoegl. beknopte zinnen (Praedicat.bepal. zijn geen -).26
1De roos van Dekama.Nog altijd wordt in Nederland, ondanks het veranderen der tijden, de Roos vanDekama een amusant boek gerekend. Men kan pittiger, d
344In 't vrouwelijk is het natuurlijk haar; 'r, of d'r (fonetischər,dər).Evenals in de pluralis:zij gingen voor de lui der bed staan (B
345Maar beperken deze -s1)niet tot de masculina meer, en zeggen ook:ondank is 's werelds loon. - 's werelds goed is eb en vloed. - tantes ho
346dan éen lettergreep op -e, vooral die in de dagelijksche spreektaal gebruikt worden,krijgens.Men moet er dan echter aan denken, dat woorden als ‘ar
347De afkomst van dit -enis zeer verschillend, wat er echter weinig toe doet; niemandvoelt het verschil meer, feitelijk ís 't er ook niet meer.36
348ook al zijn de vormingen van sommige grondwoorden niet in de mode, vanvoorzetsels b.v.; wat niet is, kan worden. En bovendien, al staat zoo'n
349De vorming met -t, -de(omt, omtalmdeb.v.), vooronderstelt nog volstrekt niet datook er een met -en(ommen, als inf., b.v.) moet wezen. Hier dient aa
350in-: in-lui, in-smerig, in-lief;mis-: mis-baksel, mis-punt;-(en)-ist: klokkenist, havenist, (lui, die als baliekluivers op de haven rondzwerven);-i
351Of er dan veel van die nieuwigheden van nu in ons beschaafd nederlandsch overzal gaan? Neen, zeker heel weinig; maar zoo is 't altijd geweest.
352Zijn het nu woorden van zoogenoemde begrippen, dan is hun beteekenis allesbehalve vast. Het zijn aanduidingen, daar later eerst meer bepaalds bijko
353Men vertelt toch ook niet dat ‘schamen’ een afleiding is van ‘schaam’? Of dat ‘gezicht’bij ‘zien’ hoort?Trouwens, dat is in een spraakleer ook nerg
2werkende, wordt de Roman de geschiedenis van dien aanleg, even noodwendigals de geschiedenis van den constitutioneelen regeeringsvorm of van de idee
354zin als: ‘waar de taalvorschers nog niet tot eenstemmigheid zijn gekomen, kan degewone taalbeoefenaar geen partij kiezen.’Maar waarom ook al die wi
355Voor die verder wil zal de kennis van 't nú, het vroegere eerst recht doen begrijpen.Dat nú moet voor allen hoofdzaak wezen; en voor de meeste
356De stam kan naar analogie gevormd wezen. Wij maken ook grovve naar grof;brosse en brosheid naar bros, zoo goed als broos, en broosheid naarbroze. W
357verschillende vormen bij elkaar kwamen in een exemplum, bewijzen o.a. nóg: ik,mij, wij, ons; tu, vos; is, was, zijn. 't Is net zoo iets als ‘s
358was; vele suffixen toch hadden in den oudsten tijd ook den hoofdtoon1). Zooonderscheidt men nu sterke, middel en zwakke, en vaak nog ook een zwakst
359lóage), laten (nfr. litte, got. lêtan), daad (nfrie. died, ofrie. dêd, got. -dêths, ohd.dât), beitel, bleek (eng. black), steil (vgl. ohd. steigal)
360in het praesens, in het perfectum, enz. Deze gelijkmaking gaat hoe langer hoeverder, vgl. wij bonden, ik bond; kalf, kalven, en duitsch kälber, enz
361kenis veranderd: drenken uit ‘drank-jan’ (got. dragkjan, oudhoogd. drenken). -zenden uit ‘sand-jan’. - kwellen uit ‘kwal-jan’, (kwelen is ‘pijn lij
362slippen uit ‘slip-jan’ naast ‘slijpen’. - (ver)zwikken uit ‘-swik-jan’ naast‘(be)zwijken’. - Ook hier zullen er substantiva naast gestaan hebben; e
363Woordverklaring.Het woord roman.Als aanvulling van het artikeltje over ‘romantisch’ vraagt men ons iets over het woordroman. Dit volgt hier.‘Roman’
3wijsheid, geest en beteekenis, omdat het kunst zonder idee is. Wat heeft men nietgespot met die idee; wat al wijze koppen hebben hunne veelzeggende s
364een geschiedkundig werk, een levensbeschrijving, een kroniek als iets verdichtszijn. Het was elk verhaalwerk datniet gezongenmaargelezenwerd. Zoo w
365daagsche dingen. De verhaaltrantis iets dat onder omstandigheden verandert, ietsdat zijn eigen geschiedenis heeft. Zoo is het ook met de verhaalde
366Conservatisme.Men schijnt het conservatisme te willen zoeken in het behouden en aankleven vanhet oude, alleen omdat het oud is. Deze bepaling is ge
367Potgieters Liedekens van Bontekoe.Aanteekeningen.(Slot.)vs. 326-327. De dichter verontschuldigt zich, zeer bescheiden, over de lengte vanhet vorige
368vs. 334.hare offerschalen, nl. vanhet Oosten. Evenals bij de personificatie vanlanden en steden wordt hier het Oosten als eene vrouw voorgesteld. D
369vs. 357-359.maar:‘enkel’, ‘niets dan.’ Aan den oever der rivier heerschte stilte en't was er onder 't geboomte zoo duister, dat hij er ni
370vs. 1.die in 't booze ligt:uitdrukking aan den Bijbel ontleend: Wij weten dat wij uitGod zijn, en dat de geheele wereld ligt in het booze, 1 J
371v. 29.Bylo!een uitroep van onzekere afkomst. Het eerste lid is zeker wel hetvoorzetsel, men zweert nog bij God en alle heiligen. In het tweede heef
372vs. 384.der uitgelaten rei. Misschien schrijft P. hierrei, omdat de wilden een' dansuitvoerden;reiis tochdans, maar ook:dansende groep. Doch d
373nemen. Wie lust had, den Prins te dienen, riep natuurlijk:Lang leev', enz.vs. 6.die, nl. den stijven arm, den houten poot. Zegt men:de drommel
4Deodaat is in éen woord: een Tugendheld. En hij is ten volle waardig, dat, terwijl hijgeen enkele poging daartoe te werk heeft gesteld, hij aan Aylva
374vs. 21.ter nood:‘ter nauwernood’, -jaar en dag:‘een goed jaar’. Eigenlijk is het eenrechtsterm, uit de middeleeuwen afkomstig, om den verjaringster
375vs. 33.de schelle luit: luitstaat hier voor een of ander snareninstrument, bij deJavaansche dansmeisjes in gebruik.vs. 34.der Bajaderen-schaar: Baj
376opstaat voor den bezitter van een ton, dient wel diens meerdere te wezen.vs. 61.mijn pot:‘mijn spaarpot’.vs. 415.het koeltjen,aangesneld uit zee:‘d
377gerigt. De weglating van het onderwerp in zinnen als den tweeden wordt in hetWoordenboek der Ned. taalafgekeurd op grond, dat zij bijzinnen zijn en
378dus gevoeglijk kan vergeleken worden. Ook zeide of zegt men nog:zijne scheenenstooten:‘teleurgesteld worden’;dat zal hem voor de scheenen springen:
379Wat wenscht ge, dat, voor sombre beelden,Te diep ons grijpende in 't gemoed,Slechts blinkende deez' zang doorspeeldenDer vreugden rei, de
380vs. 538.zijn pand:zijn pand van trouw, den trouwring.vs. 544.niets en gaat voor de echte trouw, variatie op den slotregel van misschienhet aardigst
381Boekaankondiging.Middelnederlandsch.4. Die hystorie van Reynaert die Vos, naar den druk van 1479, vergelekenmet William Caxton's Engelsche ver
382het zin-accent de woorden bijeenkoppelde?1)Let eens nauwkeurig op hoe wij nunog lezen; en merk dan dat wij vaak het woord - en psychologisch juist
383baarder. En tal van mooie opmerkingen staan er bovendien in; ik voeg er nog dezekleinigheid bij dat het ofrie. ‘wesenclene’ = weesje, pupillus, ken
5hem geopenbaard door dichterlijke intuïtie. De Roman wordt dan de illustratie dierstelling, een plaatje, niet voor alle volwassen menschen. Is Van Le
384häuer, der einen stollen auf gut glück anschlägt, wenn er auch nicht sicher weiss,dass sich ihm eine ergibige ader auftun wird. aber wir alle werde
6een Kort Begrip samenvatten met het motto uit Rodenburgh, door Bakhuizen, denGidsman, een onbelangrijke stelling genoemd: ‘Fortuyn liefst hem besoeck
7deugd geen strijd. Zoo zij nooit en nergens een duim breed afwijken van de algemeenals vereerenswaardig erkende beginselen van betamelijkheid, het is
8het tweede stelt hij hem ter elfder ure voor als genezen, in staat zijn 'faits et gestes'voort te zetten; straks brengt hij hem tot nader o
9ondergang met religieuze zekerheid; ons negentiendeëeuwsch natuurkundig verstanddenkt niet aan tegenstribbeling. Ons medelijden en onze vrees vergeze
10rij van tooneelen, voor de genialiteit zijner slimheid. Hij is de man naar Van Lennepshart, Van Lennep-zelve. Hij is het genie van de luim, aan wien
335-336collectiva met -goed, -tuig-, -boel,-rommel, -pak266, 269, 296constructies200, 301constructie (Merkwaardige -)219constructie (Ongewone -)305con
11het uit te willen zingen tegen den Graaf, met af te moeten dalen tot den rang vanbijpersonen, par acquit de conscience, ter wille van den belangstel
12Optimisme der jeugd en op elke bladzijde schier het schalksche oog van den auteuren de vriendelijke mond met den snaakschen trek ons verwelkomen.Moc
13kunst vermag den wil der winden onder zijn gebied te brengen. De Natuur kent geenonderscheid des persoons; aan het spel der golven prijs gegeven, zi
14oogpunt van den vorm van enkele zijden beschouwd en wij trachtten den lezerdaarbij sommige letterkundige denkbeelden aan te brengen of bij hen te ve
15Iets over den superlatief.(Naar aanleiding van eene examenvraag.)Bij het schriftelijk examen voor de akte van bekwaamheid als hoofdonderwijzer, inde
16de mensch het gelukkigste wezen?- In beide gevallen zijn de superlatievenbetrekkelijk, doch de eerste twee zijn bijwoordelijk, de laatste bijvoeglij
17Als van zelf doet zich nu de vraag voor: Waar zit de fout? In het voorbeeld of in deSpraakkunst? De beantwoording van die vraag is het doel van dit
18Nu rest ons nog, te doen zien, waarin die onjuistheid bestaat en van het onderscheidtusschen die beide vormen van den superlatief eene andere verkla
19superlatief, ook dien van het attributieve adjectief, van een lidwoord te doenvoorafgaan, de opmerking geheel en al misplaatst zijn, dat daar, waar
20attributieven als van den praedicatieven superlatief. Dat is echter niet altijd zoo. Hetgeval kan zich voordoen, dat het naamwoordelijk gezegde een
372drilmeester372drillen272drommel (Den -) geven van275druilen227duim (Op zijn -) fluiten187duim (Op zijn -) draaienTaal en Letteren. Jaargang 2
21b. Deze toren is hoog; die is hooger; maar gindsche toren is hethoogst.3. Bij vergelijking van eene hoedanigheid van dezelfde zelfstandigheid metdie
22De geslachten der zelfstandige naamwoorden in het Nederlandsch.Geen hoofdstuk uit de grammatica is voor ons, Nederlanders, zóó onaangenaamen lastig
23in de geschreven taal dus aan dat onderscheid vasthoudt - en tot dusverre doen wijdat allen - moet het kunstmatig aanleeren. Wij merkten reeds op, d
24Voorloopig zijn wij nog niet zoo ver,1)schoon hier en daar reeds eenig licht isontstoken. Zoo heeft men gewezen:1o. Op het feit, dat in een vroegere
25toonen in de 14eeeuw, maar eerst in de 16een in 't begin der 17eeeuw tamelijkalgemeen wordt.In het Middelnederlandsch vindt men niet zoo heel z
26U stercte, u hool, úwenarm, uwensteen,U borcht, uwenschilt, u toevlucht, u voedere,Uwenwech, u waerheyt, u leven alleen’ (blz. 5).‘Dats voor mi eene
27werelts’ (146a; vgl. 150a: inde werelt); ‘de schamelheyt onses Moeders der H.Roomscher Kercke’ (150b).Wat wij bij Marnix, en in 't algemeen in
van eenen of eenvrouw1).6van eenen of eenman.6Men ziet, er is eenig verschil tusschen de verbuiging van Marnix en die1)Eenenkwam ook wel voor in &apos
28van de mannen derTwe-spraack. Maar dit verschil doet de verwarring slechts tescherper uitkomen.In het begin der 17eeeuw was de toestand eer vererger
29‘Ick sal denuwenwesen’ (162).‘Dat desendach dendraet mijnshoopsin stucken cort’ (163).‘Denraedt is al vergaert’ (ald.)... Mijns dochters huwelijck’
IX228duimkruid203-210E, ee; o, oo (Spelling van -)204e en o in 't Middelnederl204e en o in de XVIeeeuw204-205e en o bij Coornhert205e en o bij Vo
30geslacht. Toch was van Heule niet van meening, dat men het daarmede steeds zooprecies hoefde te nemen: ‘Dit onderscheid der geslachten en behouft in
31telkens tegenspreken - en soms misschien ook door het voorbeeld van andere,vooral oudere schrijvers. Verder zal bij Hooft de invloed van het Latijn,
32blaes zijnerneuze’,JobIV, 9.Nachtis vrouwelijk inPs.XIX, 3: ‘ende de nacht aendenacht toont wetenschap’, mannelijk inPs.VI, 7: ‘ick doe mijn beddede
‘Ick ken, ick heb misdaen, denStief-moer te behaghen’.Taal en Letteren. Jaargang 2
33Zoowel het voorbeeld, door mannen als Hooft en Vondel gegeven, als de invloedder spraakkunstenaars veroorzaakten een toenemend streven naar taalzuiv
34het licht zag, getroostte zich in dit opzicht veel moeite. Doch wijl hij niet dan eenenkele maal het oog richtte opuitgangen, maar alleen op de slot
35DeAenmerkingen over de Geslachtenmaakten opgang; in 1711 verscheen eentweede druk; in 1723 een derde, onder den titel:Lijst der Gebruikelykste Zelfs
36Gesl. dat v.Hoogstraten aanGesl. bij Vondel.Gesl. bij Hooft.Zelfst. nw.het woord wiltoekennen.o. en v.v.o.bosschaedje[v. bij Moonen enVollenhove.]m.
m.m.v.kusm.m.v.lachm. [v. bijAntonides.]m.m.lasterm.m.v.lonkm.m. en v.m. en v.loopm.m. [wellust vr.]m. en v.lustm. [m. bij Rotgans.]v.v.maaltijdm.m.v.
37Gesl. dat v.Hoogstraten aanGesl. bij Vondel.Gesl. bij Hooft.Zelfst. nw.het woord wiltoekennen.m. [v. bij Moonen.]m.m.nachtegaalm.m.v. (?) en o.m.oev
351fiets, fietsen326flectievormen (Oude -) insamenstellingen359-360fleetievormen (Wording van -)343flectie ontstaat uit syntactisch verband343-344, 34
m.m.v.stalm.m.v.stamm.m.m. en v.steekm.v. en o.o.m. en v.strandv.-m. en v.suikerm.m.v.temperv.m. en v.v.vaartv.m. en v.m.vederv. en o.v.v. en o.venste
38Gesl. dat v.Hoogstraten aanGesl. bij Vondel.Gesl. bij Hooft.Zelfst. n.w.het woord wiltoekennen.m.m.v.vredev.o.v.vuilnism.m.v.waano. [v. bij Huygense
39‘Ik was wel eer in twijffel of het Onderscheid van 't Manlijke en Vroulijke Geslagt,omtrent Levenlooze zaken, die geen Kun-verdeeling onderworp
m. en v.nachtm. en o.lofm. en v.eikm. en v.naamm. en o.loonv. en o.flankm. en v.naadm. en v.lustm. en v.galgeTaal en Letteren. Jaargang 2
40m. en v.uilv. en o.spitsm. en v.nebv. en o.vensterm. en o.stofm. en v.neusm. en v.vlekm.v. en o.stoofm. en v.noodm. en v.vlijtm.v. en o.strandm. en
41Wagenaar! Wagenaar toch heeft veel geschreven, heeft goed geschreven en is -geen dichter.Hoogstraten'sLijst, waarvan intusschen in 1759 een nie
42opstellen van geslachtsregels en het toelichten daarvan. Nagenoeg alle regels diein onze tegenwoordige grammatica's betrekking hebben op het ge
43zelfs schrandere mannen een eigenaardige verblinding. Men ziet in, men toont aan,dat Hooft en Vondel in hunne geslachtsbepaling onbetrouwbaar zijn;
44eenig het minste verstandelijk inzicht. Wil (Hoogstraten) in een zeer byzonder gevaliets meer doen dan een bloote en enkele waarneming geven, hy tas
45òf uit een adjectivum òf uit een verbum; en dat zij in 't eerste geval altijd vrouwelijkmoesten zijn. Wat het tweede geval betreft, hier waren
X28-43geslacht in de XVIIIeeeuw34-38geslacht bij Hoogstraten38-40geslacht bij Ten Kate en Huydecoper41-43geslacht bij Kluit43-47geslacht bij Bilderdij
46Eenige der belangrijkste gevallen mogen hier vermeld worden:BILDERDIJK.KLUIT.Znw.V.M.AmstelV.M.anijsV.M.beulingM.V.bijlV.M.bolsterM.V.boorM.V.braamV
V.O.kaneelM.V.karosM.V.keperM.V.kerfM.V.kievitM.V.kinkM.V.klaroenM.V.klepV.M.klosV.M.koepelM.V.koolV.M.kostM.V.krasM.V.kribM.V.kuchV.M.kwastM.V.luierM
M.V.poolM.V.preekV.M.prijsM.V.prulM.V.ratM.V.schalmM.V.scharM.V.schokM.V.scholV.M.schootM.V.schouderM.V.slofM.V.snufM.V.spatM.V.speerM.V.spierM.V.spro
47BILDERDIJK.KLUIT.Znw.M.V.stopM.V.suikerV.M.tegelV.M.treeftV.M.troostV.M.tuinV.M.turfV.M.vaakM.V.vijlV.M.vingerlingM.V.vlekV.M.vorschV.O.wambuisM.V.w
overeenstemming te komen met andere talen - mannelijk. Waar Kluit twee geslachtenvermeldt, wordt door Weiland dikwijls een keuze gedaan.De spelling va
48magazijn(1853) gaf hij eenigeBijdragen tot de kennis van het Geslacht derZelfstandige Naamwoorden.1)Te Winkel tracht in zijn stuk het geslacht vast
49Aangaande de namen van vruchten wordt opgemerkt: ‘In dePomologievan Knoopkomen nog verscheidene namen van appelen en andere vruchten voor, die menve
50Bij de geslachtsregeling door de Vries en te Winkel heeft men zich tot dusverreneergelegd. Wel wordt er door dichters en prozaschrijvers dagelijks t
51Boekaankondiging.Studieboeken voor de hoofdakte.II.Zoo wij durfden, zouden wij den welwillenden lezer wel gaarne uitnoodigen tot eeneherlezing dier
52keuriger kennis van den tekst ten doel heeft. Daarná de paraphrase. In de eersteafdeelingbesluitelke oefening met gemengde taaloefeningen naar aanle
Comentários a estes Manuais