Engel IB144 Manual do Utilizador Página 141

  • Descarregar
  • Adicionar aos meus manuais
  • Imprimir
  • Página
    / 440
  • Índice
  • MARCADORES
  • Avaliado. / 5. Com base em avaliações de clientes
Vista de página 140
93
welke zulk een eigenaardig kenmerk der hedendaagsche taalwetenschap is, aan
de school ten goede is gekomen. Het is hierop, dat ik thans de aandacht wensch
te vestigen, in de hoop dat deze bijdragen door een toekomstigen schrijver van
eene Nederlandsche spraakkunst in overweging mogen worden genomen. Het is
geenszins mijne bedoeling, een volledig overzicht te geven van al wat mij toeschijnt,
in dit opzicht verbetering te behoeven; enkele grepen mogen voorloopig voldoende
zijn, om, zoo mogelijk, den lezer te overtuigen, dat hier werkelijk herziening noodig
is. Ik behoef wel niet te zeggen, dat ik bij het samenstellen van deze opmerkingen
geen bepaald boek op het oog heb; verschillende spraakkunsten heb ik gebruikt,
maar trachtte daarbij zooveel mogelijk te letten op dat, wat zij alle of althans het
meerendeel hunner gemeen hebben, en niet te blijven stilstaan bij toevallige fouten
in een enkel boek. Waar ik een werk citeer, geschiedt dit niet, om in 't bijzonder juist
dáárop de aandacht te vestigen, maar omdat soms eene opmerking, die slechts in
één werk voorkomt, karakteristiek is voor de soort.
Verdeeling der medeklinkers.
Bijna in geen onderdeel der klankleer vinden wij zóó verwarde mededeelingen als
hier. Gewoonlijk begint men met de gebruikelijke verdeeling naar de spraakorganen,
waarmee de medeklinkers gevormd worden, dus in keelletters, tong- of tandletters,
lipletters. Dat het Nederlandsch palatalen zou kunnen bezitten, wordt niet mogelijk
geacht. Intusschen kan het met het oog op het onderwijs raadzaam zijn, deze voorbij
te gaan, ofschoon men er daardoor toe komt, den leerling de
j
beurtelings als
keelletter en als tandletter voor te stellen, en klanken als die, welke door
tj
voorgesteld wordt, niet te noemen, wat trouwens niemand inviel, daar men nog
steeds
tj
rustig voor twee klanken aanziet, zeker omdat er twee teekens noodig zijn,
om dien klank aan te duiden. De
h
, zoo leeren verschillende spraakkunsten, behoort
tot geene der bovenstaande groepen; zij wordt dus noch met de lippen, noch met
tong of tanden, noch met de keel uitgesproken. Zonder deze spraakwerktuigen
echter kan men geen klank uitspreken. Toch kan ieder
h
zeggen. Hoe is dat te
verklaren? Non liquet
1)
.
1) In prof. van Helten's ‘kleiue nederlandsche spraakkunst’ wordt § 13 de opmerking gemaakt,
dat de
h
eene sterke aanblazing is zouder meer en als zoodanig buiten alle andere
medeklinkers staat. Het is echter duidelijk, dat ook iemand, die wenscht aan te blazen,
daartoe gebruik dient te maken van zijne spraakwerktuigen. Wie over een kopje thee blaast,
gebruikt daartoe zijne lippen; ware de
h
eene dergelijke aanblazing, dan was zij een lipletter.
Men kan echter ook anders aanblazen, en wie zich zelf bij het uitspreken eener
h
waarneemt,
zal weldra bevinden, dat deze verstooten letter een keelklank is, en wel een spirant. Dat het
schema reeds van twee gutturale spiranten voorzien is (ch, g), is toch geen reden, om de
h
de plaats, die haar eerlijk toekomt, te weigeren. Hoe zou het schema zich moeten behelpen,
indien het Nederlandsch nog eens weer een klank rijk wierd, die overeenkwam met de
Engelsche th? Zou deze geen tandletter meer mogen wezen, omdat de plaatsen der dentale
spiranten reeds aan s en z vergeven zijn?
Taal en Letteren. Jaargang 2
Vista de página 140
1 2 ... 136 137 138 139 140 141 142 143 144 145 146 ... 439 440

Comentários a estes Manuais

Sem comentários