34
het licht zag, getroostte zich in dit opzicht veel moeite. Doch wijl hij niet dan een
enkele maal het oog richtte op
uitgangen
, maar alleen op de slot
letters
zijn aandacht
vestigde, is zijn moeite voor het grootste gedeelte doelloos geweest.
Wij zijn thans gekomen aan de bespreking van een werk, aan welks invloed men
het heeft toe te schrijven, dat de toestand van verwarring langzamer. hand voor
kunstmatige en onnatuurlijke regelmaat begon te wijken.
In 1700 verschenen David van Hoogstraten's
Aenmerkingen over de Geslachten
der Zelfstandige Naamwoorden
. In een ‘Berecht’ vermeldt van Hoogstraten, hoe hij
en professor Petrus Francius, sprekende over de ‘zinlykheid onzer tale, vielen op
het bepalen van de geslachten der zelfstandige naemwoorden, waer tegen
hedensdaegs grove mislagen begaen worden van de meeste schryveren; als die
hier in alles over hoop smytende zig weinig schynen dezer aenmerkinge te
bekreunen, en naer hun welgevallen heenschryven, zonder eenige achtinge te
hebben voor de schriften der genen, die hunnen yver en arbeit gehangen hebben
aen het schuimen, zuiveren, verryken, en regelen onser sprake.’
Er zijn mannelijke, vrouwelijke en onzijdige substantieven. Maar behalve die zijn
er vele woorden van een ‘twyffelachtig’ of ‘gemeen’ geslacht, ‘om dat ze, zoo als
men wil, het mannelijk en vrouwelijk geslacht (want het onzydige blyft op zig zelf)
aennemen, of om dat het niet zeker genoeg is, tot welk van beide zy behooren....
Welke twyffelachtige woorden, minst in onze tale te onderscheiden, [den schrijver]
schenen allermeest te moeten geregelt worden naer het gebruik der beste
schryveren, om daer omtrent eenen vasten voet te beramen.’ Te dien einde stelde
van Hoogstraten ‘een kleene proef op van woorden, getogen uit de schriften van
Hooft en Vondel’ en vergrootte die langzamerhand.
De schrijver wil juist Hooft en Vondel volgen, wijl deze
‘verder gekomen [zijn] dan Aldegonde, Spiegel, Korenhart, Plemp, Visscher, Koster,
Ketel, Brederode, Reael, Kamphuizen, en anderen...... Vondel vooral heeft het geen
nog ontbrak aen de genoemde Letterhelden vervult: waerom zijn getuigenis by my
van eenig meerder gewicht, en zeer naeu in acht genomen is van latere verstanden;
waer onder uitstak de brave schrijver Geeraert Brandt, naderhant van zijne Zoonen
gevolgt, en Joannes Antonides van der Goes.... Kan men by deze nog niet wel te
recht geraken, en staet men, als op eenen driesprong, zonder te weten wat men
kiezen zal, men ga te rade met Joannes Vollenhove, Arnold Moonen, en Laurens
Bake, Heere van Wulverhorst, die den verlegenen en struikelenden stutten, en op
het rechte padt helpen.’
Nadrukkelijk wordt er door van Hoogstraten op gewezen, dat hij geen regels
voorschrijft
en niemand de verplichting wil opleggen zich door zijn onderzoek
gebonden te achten; en derhalve, zoo gaat hij voort,
kan yder by zyn meening blyven, die van gedachten is, dat wy knorven in biezen
zoeken, en eene angstvallige naeugezetheid willen invoeren,
die van geen waerde
te houden zij
.’
1)
1) Ik cursiveer.
Taal en Letteren. Jaargang 2
Comentários a estes Manuais