326
Daarbij komt nog de invloed van onze syntaxiale constructie, dat men adjectiva
zonder uitgang bij 't substantief plaatst, waar ook samenstellingen uit kunnen groeien;
als ‘zoet hout’, en dergelijke.
Dan het voorbeeld van vroegere verbinding zonder -
e
, als groot-zeil, kwà-jóngen,
en dergelijke.
Dit voorbeeld werkt zeer sterk. Evenzeer wel de samenstelling met zoogenoemde
stammen van werkwoorden. Die vormen, en al lang, het eerste lid zonder
verbindingsletter
1)
, als: drink-glas, bedel-monnik.
Alles wijst er dus op dat het eerste lid het meest in onveranderde vorm zal
voorkomen.
10. Er zijn evenwel nog oude formaties overgebleven, - al worden die telkens opnieuw
hér-vormd, elke keer dat men ze gebruikt - met uitgangen, uit den tijd toen de
woorden in hun syntaxiaal verband algemeen verbogen werden. Dit vindt men in
enkele woorden; geïsoleerd, en dan vaak als eigennamen. Over 't algemeen zijn 't
echter vormsels op veel uitgebreider gebied geworden, met verlies van hun
oorspronkelijke beteekenis: zuiver formeel, niet veel meer dan ingevoegde letters
of lettergrepen.
Zoo is de -
s
eigenlijk een genitief-uitgang. Maar zelfs bij woorden, waar het eerste
lid zich als een genitief tot het tweede verhoudt en op -
s
uitgaat, voelt men deze -
s
niet éens altijd meer als zoodanig; hoe velen voelen in honger-s-nood,
water-s-nood dien genitief -
s
? Men kan dan ook niet meer zeggen: het eerste lid
is een genitief, dérhalve moet dit in de samenstelling, bij nieuw-vorming, een
s
hebben. Men heeft het genitief-verband ook, waar geen
s
staat, als rund-vleesch,
konink-rijk, rogge-brood, tarwe-meel en tal van anderen; -schape-vel,
bokke-kop, kinder-stoel, kinder-dijk bij Dordt (denk aan 't verhaal van 't
aanspoelen van een kind); enz.
En omgekeerd staat er een
s
, waar 't geen genitief singulaar kan wezen, als in
jongelings
2)
-vereeniging, schaaps-kooi (genitief-plu-
1) In ‘roof-vogel’, ‘slinger-steen’, is 't nog twijfelachtig of 't eerste lid een verbaal-stam, dan wel
een subst. is. Oorspronkelijk waren 't allen substantieven. Men voelde ze in verbinding met
verba; stammen van de werkwoorden en het verwante subst. waren en werden vooral, in
vorm gelijk; men hield deze subst. dan ook voor verbaal-stammen, al gauw. Toen kwamen
een menigte analogie-vormingen op; de onze zijn 't zoo goed als allemaal! Of ze in 't
gotisch bestonden, is onzeker. Wel in 't noorsch en westgermaansch; - ook in 't grieksch en
slavisch, zie Brugmann, Grundriss der Indogerm. Grammatik, II, § 41.
Deze soort heet in de hollandsche spraakkunsten meestal de ‘eigenlijke samenstelling’; ook
bij die grammatici, die anders elke nieuwere analogie-formatie verafschuwen.
2) Wat Jacobs-Koenen, blz. 190, daarop bedacht hebben, is spitsvondig.
Taal en Letteren. Jaargang 2
Comentários a estes Manuais