240
Wie schrijft: ‘dat er schadelijke waarheden bestaan, weet elk docent, die voor zijn
taak berekend is,’ moet ook niet verlangen, dat men een leerling zal uitleggen, wat
hij niet eens kan waarnemen.
Prof. Cosijn citeert mijne woorden: ‘zonder lippen, tong, tanden of keel kan men
geen klank uitspreken. Toch kan ieder
h
zeggen.’ Het citaat is niet volkomen juist.
Er staat ‘zonder deze spraakwerktuigen enz,’ en daarmee wordt verwezen naar het
voorgaande: ‘noch met de lippen, noch met tong of tanden, noch met de keel.’ Met
opzet zijn hier tong en tanden te samen genoemd; immers werd hier niet
mijne
meening uitgesproken, maar slechts de in de spraakkunst heerschende opvatting
gekenschetst. Wie de moeite neemt, de plaats over te lezen, zal zien, dat even te
voren gesproken is van de gebruikelijke verdeeling in keelletters, tongof tandletters
(die te recht niet onderscheiden worden) en lipletters. De aangehaalde woorden
willen dus dit zeggen: ‘Wie leert, dat men zonder keel-, tong en tanden, of lippen
geen medeklinker kan uitspreken, spreekt zich zelf tegen, wanneer hij daarna
opmerkt, dat de
h
geen keelletter, geen tong- of tandletter, geen lipletter is.’ Dat
h
een
kehlkopfspirant
is, is bekend genoeg en valt in menig boek te lezen. In eene
noot plaatste ik ze onder de keelletters. Waarom? Al weer, om de physiologische
questie zooveel mogelijk ter zijde te laten. In een ruimer beteekenis is het
strottenhoofd wel degelijk een deel van de keel; het ligt dus voor de hand, de
h
, die
aldaar wordt gevormd, in eene populaire voorstelling, gelijk mijne schets was, onder
de keelletters te plaatsen, wat zelfs in wetenschappelijke spraakkunsten thans nog
algemeen de gewoonte is. Voor den leerling heeft deze opvatting het voordeel, dat
deze naam hem althans een eind op weg helpt, terwijl hij hulpeloos staat, indien
men hem leert, dat
h
eene aanblazing is, en
daarom
buiten het verband der overige
medeklinkers staat. ‘En
f
dan?’ zal hij vragen.
Het verschil tusschen media en tenuis wordt in de landläufige grammatica, gelijk
reeds de nederlandsche namen aanduiden, zóó gekarakteriseerd, dat de media
zacht, de tenuis scherp is. Dat de eerste in 't Nederlandsch stemtoon heeft, de
tweede niet, wordt gewoonlijk niet geleerd, en ik kan er bijvoegen als mijne
persoonlijke ondervinding, dat de weinige door mij aangewende pogingen, om dit
verschil aan de leerlingen duidelijk te maken, slechts zelden veel gevolg hadden.
Maar hoe kan men in boeken, waarin van geen stemtoon gesproken wordt, het
onderscheid tusschen
media
en
lenis
leeren? Het is m.i. van het standpunt der
schoolgrammatica volkomen juist, te leeren, dat
g
het zachte ontploffingsgeluid der
keelklanken is, ontstaan uit k en geschreven als
k
, en wie dit voorstelt, behoeft
daarom nog niet iemand te zijn ‘die in klankphysiologische questies op eigen gezag
dwaalt.’
Dat de wisseling, van ng met nk
uit een historisch oogpunt
toevoeging van eene
k
is, heb ik nergens beweerd. Wel dat zij dit
uit een oogpunt van uitspraak is
. De
alledaagsche spraakkunst beschouwd
ng
als het normale; vandaar dat zij niet spreekt
van eene wisseling maar van een overgang van
ng
in
nk
. Ik heb er niets tegen. Mits
men dan ook dezen overgang niet eene
verscherping
noeme, wat nog steeds
geschiedt, maar eene
toevoeging
, want het is nu eenmaal een feit, dat men
nk
uitspreekt als
ng
+
k
. Om dit feit te constateeren, zijn geene inscripties noodig. Te
recht merkt Prof. Cosijn op, dat er in het Nederlandsch tweeërlei
w
bestaat. Het is
waar, dat de labiodentale
w
een explosieve klank is; maar dit toe te geven is toch
geheel iets anders dan
w
en
j
ohne weiteres voor ontploffingsgeluiden te verklaren.
Ik heb slechts in 't voorbijgaan op deze fout gewezen, zonder eene eigen meening
over de vorming van
j
en
w
uit te spreken.
Toegeven moet ik, dat het eene vergissing was,
tj
eenen enkelen klank te noemen.
Hier heb ik mij onjuist uitgedrukt; ik neem de gelegenheid waar, om op te merken,
Taal en Letteren. Jaargang 2
Comentários a estes Manuais