60
klap
, l.
klop;
blz. 17
So sollen
, l.
Se sollen;
blz. 18
verstand
, l.
verstaen;
blz. 19
pleeeh
, l.
pleech;
blz. 21
kreecher een
, l.
kreecher wel een;
blz. 22
'k Versinne
, l.
'k
Versinme; en Bely
, l.
on Bely;
blz. 23
gehesode
, l.
ghesode;
uitgevallen is de regel
(4 v.o.):
Wen ich dijn saghe verheuget hem mijn geyst;
blz. 32
's Is waer
, l.
't Is waer;
blz. 37
kennen wesen
, l.
konnen wesen;
blz. 43
loof ie
, l.
loof ic;
blz. 44
welt duer
sluypen
, l.
wel duer sluypen;
blz. 46
moteren
, l.
noteren; amoer
, l.
amat;
blz. 47
wat
moet al mier
, l.
wat noch al mier;
blz. 48
overvloed stof
, l.
overvloed van stof;
blz.
55
macht me 't beuren
, l.
mach me 't beuren;
blz. 58
wel aen staeje vast
, l.
wel aen
dan staeje vast;
blz. 60
alsucken
, l.
alsulcken;
blz. 66
en die seyt
, l.
ende seyt;
blz.
68
beerevoetsche
, l.
berrevoetsche;
blz. 69
schaf of ghesoen
, l.
schaf op ghesoen;
ligt
, l.
ligh;
blz. 70
in leve daghen
, l.
u leve daghen; Leeker
, l.
Lecker;
blz. 76
den
Joncker
, l.
der Joncker;
blz. 82
eene sentjen
, l.
een sentjen; overoverhoeven
, l.
overhoeven;
blz. 88
vermont
, l.
vermomt;
blz. 90
bestaat
, l.
bestont;
blz. 91
den
heyde
, l.
der heyde
.
Wij hebben thans te spreken over de annotaties van den heer Kuipers. Wij maken
er dezen geen verwijt van, dat hij hier en daar verklaard heeft, wat o.i. geen verklaring
behoefde. Wat moeilijkheden zou
kunnen
opleveren, kan de uitgever niet altijd met
zekerheid voorspellen. Toch zijn wij er van overtuigd, dat de heer Kuipers zelf ons
zal toegeven, dat het b.v. onnoodig was, bij
boef
(blz. 34) aan te teekenen ‘een
deugniet, guit’; bij
te payen
(blz. 42) ‘tevreden te stellen’; bij
boecwey coeck
(blz.
54) ‘boekweiten’ koek; bij
principaelste
(blz. 87) ‘voornaamste’. En te meer was dat
onnoodig, daar een verklaring meermalen ontbreekt, waar zij behoorde te staan:
zoo op blz. 7: ‘ick vil weer los
in 't hol
neer lietjeme allien’; op blz. 14: ‘patiencie
per
fors
’; op blz. 17: ‘
't Let
wense op voedet waren’ en ‘
lecket
wie’; op blz. 17:
p(r)overetgen;
op blz. 18: ‘
den stuerten sueck rueren
’
;
op blz. 25: ‘sijt
man
lustich’;
op blz. 27: ‘tis in de
klinge
buytens tijts’; op blz. 41: ‘ick heb
me gat wel gheschraept
’;
op blz. 51: ‘
overschouwer
’ en ‘hebbense half
soo veel harts nae
’; blz. 57: ‘
loopje
staegh
met de Clap
’ (wat hier op ongewone wijze gebruikt is); blz. 75: ‘de
gheleerdheyt isme rechtevoort
een eeckigh doeckje
’; blz. 76: ‘
moonders
’; blz. 83:
‘se is soo
nu
met deze Paerden ghevaren’; blz. 84: ‘den reeckel had rou coop,
hij
deed hem releveeren
’ enz. enz.
Den
Teeuwis
te annoteeren is geen gemakkelijk werk. Penon geeft geen
verklaringen; ik zelf gaf er slechts enkele achter de uitgave van
Coster's Werken
.
Plaatsgebrek belette mij toen ter tijd, te geven wat ik bijeengebracht had. Het spreekt
wel van zelf, dat ik vol belangstelling heb nagegaan, wat de heer Kuipers ter
opheldering aanbiedt. Tot mijn genoegen kan ik constateeren, dat hij het zoo goed
als altijd met mijn verklaringen en gissingen eens is. Zelfs daar is dat het geval,
waar ik later tot een ander inzicht ben gekomen: ik houd n.l. het woord
bello
(vs.
874; bij Kuipers blz. 46) niet meer voor den naam van een hond, maar voor het
tusschenwerpsel
belo
of
bilo
. -
Taal en Letteren. Jaargang 2
Comentários a estes Manuais