325
En deze soort is, evenals alle analogie-formatie, veel-en-veel talrijker
1)
dan
de nieuwe vormingen.
Evenals bij enkelvoudige woorden, denkt men bij deze analogie-formatie aan de
overeenkomende gedeelten van andere samenstellingen, en van andere
enkel-woorden ook. Lettergrepen van de een zullen, met die van andere van gelijke
gedaante overeenstemmend worden gevormd; men voelt toch niet meer de
onderscheiden leden bij de samenstelling op zich-zelf.
Zoo vormen dezen ook groepen, als waar ik hiervoor 't over had
2)
.
9. Nu is het nederlandsch al sedert eeuwen, hoe langer hoe meer deflectief
geworden. Dit komt ook in de samenstellingen uit; daar zijn ook de uitgangen, die
het verband der deelen aangaven, grootendeels verdwenen.
In Rusland was het eerste lid evenals in Frankrijk, oorspronkelijk wel een
genitief pluralis (Frankônô-riki); maar men ziet dit 't woord niet meer aan. 't Is een
naast-elkaar-plaatsen geworden van de woorden ‘Rus’ en ‘rijk’.
Zoo staan in 't algemeen de deelen der samenstelling thans naast elkaar;
onverschillig of b.v. het eerste lid een meervoud of een enkelvoud, een bezitter, of
de plaats-waar, of iets anders aangeeft. Een genitiefpluraal is wel anker-smid,
broeder-twist, plant-kunde, naam-lijst en broeder-kring; een dito singularis:
dijk-voet, zwaluw-nest, moeder-liefde. Een enkelvoud is zuster-vereeniging.
Het locatieve zit in: straat-kabaal, hoofd-pijn, land-leven, zee-stad,
boom-mos, zee- en veld-slag, voet-kus, juli-zon; het datieve in Leo-cantate.
Bij hand-slag en stoom-boot heeft men instrumentale beteekenis; een
jacht-hond is een hond voor de jacht; een naald-boom is een boom met
naalden; veterschoenen zijn schoenen met veters; een noodrem is een rem
in (tijd van) nood; vgl. pleziertrein, een groen-vrouw, een visch-vrouw;
zaak-gelastigde, enz.
1) Waarom wordt daar in geen enkele spraakkunst met nadruk op gewezen? Ja, waarom keurt
men in den regel ze liefst af?!
2) Zoo werden vroeger in onze taal van woorden of stammen op -
en
substantiva op -
aar
gevormd:
molenaar, leugen-aar, teeken-aar, reken-aar; men voelde weldra niet meer ‘dat -
en
van 't
grondwoord als een deel van den stam’, en voegde toen -
e-naar
achter grondwoorden:
geweldenaar
,
moordenaar
,
weduwenaar; er-aar
kwam weinig voor en had dus geen macht
om op de vorming in te werken;
enaar
dubbele. En zoo vormde men
toov-enaar
, naar analogie!
En
kam-enier
, naar die op -
en-ier
-, die vaker voorkwamen dan die op
er-ier
. - - Vgl. ook -
ling
,
naast -
ing
, enz. in de spraakkunsten.
Taal en Letteren. Jaargang 2
Comentários a estes Manuais