212
de herinnering aan dezen voortreffelijken zeeman bij zijne tijdgenooten te
verlevendigen. Hij deed dit echter op eene zeer eigenaardige wijze. Van de
verschillende episoden der reis, die van 1618 tot 1625 duurde, koos hij de meest
beroemde: het in brand vliegen der Nieuw-Hoorn en de lotgevallen van Bontekoe
en zijne makkers, die daarmede onmiddellijk samenhingen: de omzwervingen in
den Indischen Oceaan en hetgeen hun na hunne landing op de kust van Sumatra
weervoer. Hoofdonderwerp is Bontekoe's terugkeer uit een inlandsch dorp naar het
zeestrand, waar de boot was achtergebleven. Hoe hachelijk intusschen de toestand
van Bontekoe op dien tocht was, niet dit had in de eerste plaats des dichters
belangstelling gewekt: hem had vooral de wijze getroffen, waarop de Hoornsman
in zijn' doodsangst de moordzucht der beide roeiers wist af te leiden; deze bood
hem de welkome gelegenheid, om een tiental liedekens, uiteenloopend van vorm
en inhoud, als tot één snoer te verbinden. Terecht gaf dan ook de dichter bij de
afzonderlijke uitgave aan dat geheel den titel van
Liedekens van Bontekoe
. Elke
andere zou onjuist geweest zijn. Een welafgerond deel van het reisverhaal in
dichterlijken vorm zijn de
Liedekens
niet. Ware het Potgieters doel geweest, dit te
geven, dan zou hij ons ook het vervolg van den tocht der zwervelingen niet onthouden
hebben. Want met de landing op Sumatra's westkust waren de beproevingen voor
de schepelingen niet voorbij. Zij moesten weder zee kiezen en bleven zij ook, zooveel
mogelijk, de kust houden, hun leven konden zij eerst gered rekenen, toen zij na het
passeeren van straat Sunda de vloot van Frederick Houtman ontmoetten, die hen
liefderijk opnam en hun gelegenheid gaf te Batavia de hulp in te roepen van den
Gouverneur-Generaal Jan Pieterz. Koen. Er komt juist in dit gedeelte van het
reisverhaal eene plaats voor, te kenmerkend voor het karakter van Bontekoe, om
die den lezers van dit opstel te onthouden. De zwervers waren bij de Prinsen-eilanden
gekomen, zonder echter precies te weten, waar zij zich bevonden. Zij gingen aan
land, in de hoop geene menschen te ontmoeten, maar wel het een en ander te
vinden, dat hun tot spijze en drank zou kunnen strekken. Terwijl nu zijn volk het
eiland doorkruiste, besteeg Bontekoe een' berg, den hoogsten, dien hij voor zich
zag. Wat hij daar deed, verhale hij zelf.
‘(Ick) sach om ende wederom, wesende heel bedroeft en moeyelijck in mijn geest,
doordien dat het (soo mij dochte) meest op my aan quam, om de wegh te vinden,
en dewijl ick noyt in Oostindien geweest was, noch geen Stiermans gereetschap
hebbende, principael geen Compas, als verhaelt is, zoo wist ick niet, wat my beter
te doen stondt, als my op den Heere te verlaten,
Taal en Letteren. Jaargang 2
Comentários a estes Manuais