30
geslacht. Toch was van Heule niet van meening, dat men het daarmede steeds zoo
precies hoefde te nemen: ‘Dit onderscheid der geslachten en behouft in den rijm
altijt niet nagevolgt te worden, want om die oorzaeke zouden de Rijmers al te nouw
gebonden zijn’
1)
.
Het bewuste ‘onderscheid’ kostte onze dichters, die voor de willekeur der in een
overgangstoestand verkeerende spreektaal terugschrikten, heel wat hoofdbrekens.
Wij kunnen er zeker van zijn, dat de geslachten der substantieven meer dan eens
het onderwerp van gesprek hebben uitgemaakt in de ‘letterkunstige vergaderingen’
waar Vondel van spreekt in de opdracht der
Hecuba
en in de Voorrede van zijn
Palamedes
2)
.
Van Hooft is een reeks van
Waernemingen op de Hollandsche Tael
bewaard
gebleven
3)
. Daarin komen o.a. de volgende opmerkingen voor:
XV.
Konste
,
jonste
,
beede
,
reede
,
steede
,
zeede
,
vreeze
,
angste
.......
Naemen toelatende de E in den Noemer [nominatief] van 't enkel getal zijn van
vrouwelijk geslaght.’
XVII.
Buiten scheuts
,
beneden der handt
: de achterstaande
Genityf Faeminyn
lydt de
s
in 't achterste van
scheuts
zonder artikel. Nochtans zeidtmen
binnen 's
kamers
, hoewel
kamer Faeminyn
schijnt. Doch wij hebben veele
communia nomina
,
ende dit moght 'er een af zijn.’
XXXIV. De
Faemininen
willen geen Des in
Genitivo
lijden, noghte ander
Adjectyf
uitgaende in Es.
XC ...... de
Genityf
van een
Faeminin
zonder
Artikel
lijdt de s.
C.
Geest
,
dienst
en diergelijken, daer een
s
in het
Termineren
komt, willen noode
noch een
s
achter aen lijden; ende luid mij wel in de ooren
Der Geest
,
Der Dienst
,
nochtans in Datyf & Ablatyf hebben ze
Den Geest
,
Den Dienst
, &c.
Questie
oft men
ze, gelijk daer
Heteroclyten
zijn, niet en zal stellen in
Dativo et Ablativo
Masculinè,
in
Genitivo Faemininè
.’
Hooft en Vondel hebben veel zorg aan onze taal besteed. De
Waarnemingen
van
Hooft geven ons het recht, aan te nemen, dat zij ernstig getracht hebben ook de
willekeur op het gebied der geslachten te breidelen. Vermoedelijk zullen zij nu en
dan woorden, die zij òf mannelijk òf vrouwelijk wilden bezigen, hebben opgeteekend
en er lijsten van hebben aangelegd. Tot de keuze van mannelijk of vrouwelijk zullen
zij vooral geleid zijn geworden door hun gehoor, hun taalgevoel, hun smaak
4)
- en
dit verklaart genoegzaam, dat zij elkaar
1) Blz. 16.
2) Omtrent de spelling in engeren zin waren in die vergaderingen geen besluiten genomen,
zoodat ieder de vrijheid behouden had, te spellen zooals hij wilde. Vondel meende dat aan
de spelling niet zooveel ‘gelegen is, als, met verlof, sich sommige wel inbeelden.’
3) Gedrukt in ten Kate's
Aenleiding tot de Kennisse van het Verheven Deel der Nederduitsche
Sprake
(1723) I. 716 vgg.
4) Bij onze jongste dichters doet zich een dergelijk verschijnsel voor. Zoo bij Herman Gorter,
aan wiens
Mei
een zeer groot aantalen voorbeelden te ontleenen is. O.a.: in
de
avond; een
schonk flonkend
e
wijn; als beesten sprongen rivieren uit
hun
holen; in zijne mond; de
n
moerbei;
door de
n
dorenheg. Enz. -
Zie ook L.v.D. in
De Amsterdammer
,
Weekblad
14 Nov. '91.
Taal en Letteren. Jaargang 2
Comentários a estes Manuais