126
maar de
oester-maand
, daar
oest-er
(oogstmaand) en
oester
in zijne gedachte bij
elkaar passen; kastanjes passen ook bij
oestmaand
, maar het woord rijmt er niet
op, zooals
oester
op
oest-er
; is er een nieuweling, die dat nog niet begrijpt, dan wil
hij het hem wel leeren door de vertering, die hij hem laat maken. In Huygens' tijd
begonnen de waarden, althans op de dorpen, reeds de ziel der rederijkerskamers
te worden, en het rijmpje: ‘rederijkers, kannenkijkers’ tot eene treurige waarheid te
maken.
Bij ‘een alchymist’ vs. 26 zal in de aanteekening de dubbele
o
van
doogen
wel
eene drukfout zijn. Het sterke deelwoord
gedogen
(nu
gedeugd
) is van dat werkwoord
met opgeschoven praeteritum in het Mnl. niet ongewoon. Men vindt het o.a.
Moriaen
vs. 2254. Het is te vergelijken met
geweten
en
gemoeten
.
In ‘een dwergh’ vs. 2 zou ik ‘een poppen Oliphant’ liever verklaren met: ‘een olifant
(d.i. een reus) onder de poppen’ dan met: ‘een speelgoed-olifant, olifant in miniatuur’.
De tegenstelling van het vers (de Zede-print zelf) en eene kaars is waarschijnlijk
niet alleen in de lengte en dikte (of breedte) te zoeken, maar ook in den vorm: de
kaars loopt van boven, dit vers van onderen puntig uit, vooral in de oudste uitgave
(
Otia
1625).
In ‘een algemeen poeet’ vs. 17 is
ringelen
waarschijnlijk wel niet: ‘al rammelend
achterna loopen, rinkelen’, maar: ‘van achteren bij den ring vasthouden en zoo op
den voet volgen’. Zoo spreekt ook Cats ‘van die geringelt sijn en niet en konnen
vluchten’.
In ‘een matroos’ vs. 33 behoeft bij
vol tegenwoordigheits
niet aangevuld te worden
van geest
. De bedoeling is: in 't heetste van den strijd is hij overal, waar zijne
tegenwoordigheid vereischt wordt; in 't volgende vers is
vol schrickelick bescheits
ook niet ‘vol ontzaginboezemend beleid’, maar: beantwoordt hij de aanvallen op
eene schrikverwekkende manier.
In ‘een professor’ vs. 12 beteekent ‘siet hij weer om hooge’ niet ‘ziet hij op naar
een geleerder dan hij’, maar ‘ziet hij op naar eenen hoogere in rang’, en zulk een
hoogere is de in denzelfden regel genoemde ‘staetsman’. Nog altijd meent een
professor eene sport hooger op de ladder van het maatschappelijk aanzien
geklommen te zijn, als hij zich tot minister heeft opgewerkt, en kort voordat Huygens
zijne Zede-print schreef, had zijn vriend Cats het ambt van pensionaris boven dat
van professor verkozen.
De woorden ‘die naerder zijn bekent met nieu en oude ballen’ vs. 60 worden
vertolkt met: ‘die zijne manieren van gisteren en die van heden kennen’. Ik geloof,
dat de bedoeling is: die beter nieuwe en oude ballen, d.i. in casu echte en
voorgewende deugdelijkheid van elkaar weten te onderscheiden, of m.a.w. die zich
geene knollen voor citroenen in de hand laten stoppen door den professor, die dat
zoo handig weet te doen.
Vraagt men, waarom Huygens deze Zede-print niet in 't licht heeft gegegeven, ik
geloof, dat het antwoord op die vraag voor de hand ligt, als
Taal en Letteren. Jaargang 2
Comentários a estes Manuais