374
vs. 21.
ter nood:
‘ter nauwernood’, -
jaar en dag:
‘een goed jaar’. Eigenlijk is het een
rechtsterm, uit de middeleeuwen afkomstig, om den verjaringstermijn van boeten,
enz. aan te duiden: één jaar, zes weken en drie dagen. Tegenwoordig beteekent
de uitdrukking gewoonlijk ‘een geruime tijd’, maar uit de bijvoeging
ter nood
moet
men wel opmaken, dat P. er hier ‘een groot jaar’ mee bedoelt.
vs. 22.
in 't Vlie:
een der zeegaten, waardoor de schepen de Zuiderzee invoeren,
om in Amsterdam te komen.
vs. 26-27.
huiven in:
‘omringen met’, eig. ‘van alle kanten bedekken met’. Zie aant.
op vs. 341.
Wierookwalm
en
ambergeur
staan weer voor welriekende geuren in 't
algemeen. Amber is eene muskusachtig riekende stof, die in de darmen der
cachelotten of potvisschen gevonden wordt. Zij heet ook grijze of grauwe amber;
uitwendig ziet zij grijs, inwendig geel, rood of gevlekt en wordt voor parfumerieën
gebruikt. Men verwarre deze stof niet met het barnsteen, dat ook wel, evenals in
het fransch, amber geheeten wordt, maar uit fossiele hars bestaat, geel van kleur
is en bij verbranding een' wierookachtigen geur verspreidt.
vs. 28.
Hij lucht er uit een wolk:
‘Hij komt lichtend, schitterend te voorschijn uit
eene wolk van geuren’. Evenzoo zegt P. in
De meistreelbruid van Blaricum
, Proza
I, 327:
(Toen) 't Bourgondische kruis uit de stofwolken luchtte.
vs. 29.
Met vonkelende sluijerkroon:
met eene tulband, waarin edelgesteenten
prijken, om het hoofd als een Oostersch vorst. P. noemt de tulband eene sluijerkroon,
omdat zij bestaat uit een hoofddeksel (kroon), waaromheen op eigenaardige wijze
een stuk van de eene of andere kostbare stof als een sluier gewonden is.
vs. 31.
weerspiegelt:
‘schittert’. Het gebruik, dat P. hier van dit werkwoord maakt,
lijkt eerst wat vreemd;
weerspiegelen
, intr., staat echter gelijk met
zich weerspiegelen
en dit staat niet ver van
schitteren;
vgl.
de zon weerspiegelde in het water
en
de
zon schitterde in het water
. Maar als iets weerspiegelt, moet er iets anders zijn, dat
als spiegel dient en zoo iets ontbreekt hier.
vs. 32.
Mijnheer Jan Compagnie
. De qualificatie
mijnheer
is karakteristiek. In den
tijd der Republiek werden alle machthebbenden met dien titel aangeduid: Mijne
Heeren de Staten, de leden der Vroedschap, de bewindhebbers der O.- en W.-I.C.,
van den Gerechte enz.
Hoogheden
waren alleen de leden van het huis van Oranje;
van
Genades
,
Excellenties
, en dgl. wist men niets af. Maar die ‘Mijnheeren’ hadden
daarom niet minder zelfgevoel dan menig vreemd potentaat. Nog worden de
Nederlanders door vreemdelingen wel ‘Mijnheer’ genoemd.
Taal en Letteren. Jaargang 2
Comentários a estes Manuais